Aerts, José J.M.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

pseudoniem: Albert Westerlinck (Geel 17 februari 1914 – Kasterlee 30 april 1984).

Studeerde na zijn priesterwijding in Mechelen (1937) wijsbegeerte en letteren (Germaanse filologie) aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) (1937-1941), waar hij in 1948 promoveerde. Aerts was leraar aan het Sint-Romboutscollege in Mechelen (1941-1943), waarna hij aan de KUL assistent, lector en in 1954 hoogleraar in de Nederlandse en de algemene letterkunde werd. Hij was eredoctor van de Katholieke Universiteit in Nijmegen (1974).

Aerts debuteerde als schrijver met religieuze poëzie, maar vestigde de aandacht op zich met zijn kritisch, essayistisch en literatuurwetenschappelijk werk. Zijn werkterrein was hoofdzakelijk de 19de en 20ste eeuw in Vlaanderen (onder anderen Guido Gezelle en Karel van de Woestijne).

Aerts' belangstelling ging vanaf zijn eerste essays en studiën naar de mens. De 'volkse' literatuuropvatting van Wies Moens, gestoeld op het werk van Joseph Nadler, wees hij al in een opstel uit zijn eerste essaybundel Luister naar die stem (1942), als onwetenschappelijk van de hand. Achter al zijn geschriften stond de belezen en ruimdenkende christelijke humanist. Eenzelfde houding nam hij tegenover het geestelijk gebeuren aan. Dat bleek duidelijk toen hij in 1945 redactiesecretaris van Dietsche Warande en Belfort werd, dat hij van 1969 tot aan zijn dood als hoofdredacteur zou leiden. Hij plaatste dit katholieke tijdschrift onmiddellijk in de problematiek van de tijd. De ruimheid en de openheid die zijn voorgangers Jules Persyn en August van Cauwelaert aan het blad hadden weten te geven, versterkte hij tijdens de naoorlogse jaren door in een klimaat van pessimisme, onzekerheid en defaitisme een positieve koers te varen. In het tijdschrift en ook daarbuiten pleitte hij voor een dynamische en geestelijk vrije cultuur. Dat pleidooi kwam op een ogenblik dat, mede ten gevolge van de repressie, die hij in 1947 in zijn tijdschrift een "bestiaal Vlaamsch pogroom" noemde, de tegenstellingen tussen christelijk-gelovigen en vrijzinnigen zich herhaaldelijk in "pijnlijk en nefast clericalisme" respectievelijk "bekrompen papenvreterij" uitten en de culturele activiteit voor lange tijd dreigden te bederven. In de lijn van deze visie lag ook het in 1950 door het tijdschrift gepubliceerde redactioneel protest, getiteld Geweld tegen de geest, waarin het artikel 123 sexies dat in 1944 te Londen in het Belgisch Strafwetboek werd ingevoerd (publicatieverbod voor gestrafte en van hun burgerrechten vervallen verklaarde schrijvers en journalisten), beschouwd werd als een uiting van "politieke dictatuur" en "een schending van de elementaire beschaving".

Anderzijds nodigde Aerts reeds in 1945 Anton van Duinkerken uit zitting te nemen in de redactie van het tijdschrift. Door een beroep te doen op deze geestelijke erfgenaam van Jozef A. Alberdingk Thijm, bewerker van de katholieke culturele emancipatie in Nederland en een van de pioniers van de Groot-Nederlandse gedachte, wilde de jonge redactiesecretaris zijn opvatting over de noodzakelijkheid van de culturele eenheid van de Nederlanden beklemtonen. Voor deze eenheid ijverde hij ook in de Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren, waarvan hij van 1967 tot 1982 Vlaams voorzitter was.

Werken

Luister naar die stem, 1942; 
Het lied van Tantalus, 1944; 
Prosper van Langendonck, 1946; 
Het schone geheim der poëzie, 1946, 19502; 
De psychologische figuur van Karel van de Woestijne als dichter, 1952; 
Kan. Prof. Dr. P. Sobry. Twintig jaren hoogleraar te Leuven, 1952; 
Stijlgeheimen van Karel van de Woestijne, 1956; 
De innerlijke Timmermans, 1957; 
Albrecht Rodenbach, 1958; 
De wereldbeschouwingen van August Vermeylen, 1958; 
Wandelen al peinzend, 1960; 
Poëtisch panorama. Bloemlezing uit de dichtkunst van de Zuidelijke Nederlanden, 1830-1890, 1962; 
Alleen en van geen mens gestoord, 1964; 
Gesprekken met Walschap, 2 dln., 1969-1970; 
Mens en grens. Over het mensbeeld in de moderne Europese literatuur, 1972; 
Musica humana, 1973; 
De innerlijke wereld van G. Gezelle, 1977; 
Verwondering en rekenschap, 1978; 
Taalkunst van G. Gezelle, 1981; 
De oude taaltovenaar G. Gezelle, 1981; 
De eerste rijpe jaren van K. van de Woestijne, 1982; 
Wie was Hendrik Conscience?, 1983.

Literatuur

L. Sourie, 'Albert Westerlinck', in Mens en kunstenaar, I, 1955; 
M. Rosseels, 'Albert Westerlinck', in Gesprekken met gelovigen en ongelovigen, 1967; 
J. Florquin, Ten huize van..., XV, 1979; 
A. Westerlincknummer van Dietsche Warande en Belfort, nr. 4-5 (1985), p. 241-390; 
R. Laermans, 'Het moeilijke midden tussen ethiek en esthetiek. Albert Westerlinck en de katholieke literatuur in Vlaanderen', in Ons Erfdeel, jg. 34, nr. 4 (1991), p. 501-510.

Auteur(s)

René F. Lissens