Activisme

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

aanduiding voor de politieke beweging die een klein deel van de Vlaamse bevolking gedurende de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) aanhing. Deze beweging kenmerkte zich door het streven naar radicale politieke veranderingen die de Vlaamse gemeenschap binnen een hervormde Belgische staat of zelfs binnen een soeverein Vlaanderen de grootst mogelijke politieke zelfstandigheid zouden moeten bieden. De politieke eisen lagen in de eerste plaats op het terrein van de taalwetgeving en de staatsstructuur, maar sloten sociaal-economische hervormingen niet uit.

De zogeheten activisten waren bereid deze politieke eisen te verwezenlijken in nauwe samenwerking met en in feite in afhankelijkheid van de Duitse bezetter. Zij onderscheidden zich daarmede van de loyalisten, ter onderscheiding van de activisten ook wel de passivisten genoemd (passivisme). Deze groep wenste de Vlaamsgezinde politieke eisen gedurende de oorlogssituatie niet bovenaan op de politieke agenda te plaatsen. Een belangrijk deel van de passivisten stond nochtans qua Vlaamsgezinde opvatting niet ver van de activisten af.

Het woord activist kwam in november 1915 in gebruik toen in De Vlaamsche Stem van 4 november 1915 Antoon Jacob de actieven tegenover de loyale, passieve Vlamingen stelde. Hij schreef deze bijdrage in reactie op een niet ondertekende brief in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 2 november. Later bleek dat Leo van Puyvelde hierin het beleid van de uitgeweken Belgische regering met betrekking tot het ontslag van René de Clercq en Jacob als leraren bij het voortgezet rijksonderwijs verdedigde. In De Vlaamsche Stem van 23 en 25 november 1915 kwam Jacob op de zaak terug en ondertekende op 25 november zijn bijdrage "Het passieve axioma" met Activist.

In januari 1916 toen de Duitsers de vernederlandsing van de rijksuniversiteit te Gent doorzetten wat protesten opriep van vaderlandslievende Vlamingen, kregen de termen 'activist' en 'passivist' een algemene geldigheid als aanduiding voor een bepaalde stellingname in de Vlaamse emancipatiestrijd.

Augustus 1914 en de bezetting. Van Belgienpolitik naar Flamenpolitik

Op 4 augustus 1914 vielen de Duitse keizerlijke troepen België binnen. Koning Albert I riep de Vlamingen op de Guldensporenslag te gedenken en de Walen herinnerde hij aan de 600 Franchimontezen. Deze herinneringen aan het middeleeuwse verleden moesten de Belgische nationale eenheid van dit moment versterken. Politieke programma's en eisen moesten wijken voor een union sacrée. Deze Godsvrede sloeg aan. Er was eenheid en saamhorigheid, maar tegelijk waren er ook ongeveer 1,4 miljoen van de 7,5 miljoen Belgen op de vlucht. Ruim een half miljoen mensen zou tot het einde van de oorlog in Nederland, Frankrijk en Engeland verblijven. Het verzet van het Belgisch leger baatte niet, de overmacht was te groot. Nadat op 9 oktober de vesting Antwerpen en op 12 oktober Gent bezet werden, restte het Belgisch leger nog slechts het gebied achter de IJzer. De regering week uit naar Frankrijk en vestigde zich te Sainte-Adresse bij Le Havre. De koning bleef bij zijn troepen. De katholieke regering van Charles de Broqueville werd versterkt door de ministers van staat uit de liberale en socialistische oppositie. Het parlement was buiten functie, al onderhield een aantal uitgeweken parlementsleden gedurende de oorlog contacten met de regering en de vorst.

De Belgische regering handhaafde formeel haar neutraliteit door zich niet aan te sluiten bij het Pact van Londen van 5 september 1914. Door dit pact verbonden Frankrijk en Groot-Brittannië zich ertoe geen afzonderlijke vrede met Duitsland te sluiten. Wel ontwikkelde de Belgische regering een grote propagandistische activiteit en probeerde zij allerwegen in binnen- en buitenland sympathie en materiële steun te verkrijgen. Bij deze propaganda, die grotendeels in het Frans gebeurde, viel de toon soms verkeerd en doken stereotypen als Vlaams is gelijk aan Duits op. In het bezette België hadden vele Vlamingen anti-Vlaamsgezinde gevoelens vanwege de koppeling Vlaamsgezind-Duitsgezind. De Duitse propaganda zou van deze gevoeligheden gebruikmaken en de anti-Duitse gevoelens gelijkschakelen met anti-Vlaamse om zo de kloof tussen Frans- en Nederlandssprekende Belgen te vergroten.

Voor het Duitse offensief in augustus 1914 losbarstte, was er in Duitse politieke en militaire kringen nagedacht over de Kriegsziele. Welke doelen wilde men met een oorlog bereiken? Allereerst stond een forse gebiedsuitbreiding in oostelijke richting op de verlanglijst. Maar ook over de relatie tot West-Europa was nagedacht. Naast een verdere controle over Frankrijk zouden staten als Nederland, België en Luxemburg, uitgaande van een politieke en militaire hegemonie van Duitsland op het Europese vasteland, zich politiek en economisch op Duitsland moeten richten.

In Duitse militaire kringen wenste met name de marine een volledige annexatie van de Belgische staat en een militaire bezetting van de havens en de kust. Politieke kringen met in het bijzonder rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg wilden niet zo ver gaan. Von Bethmann-Hollweg hield rekening met een compromis-vrede ingeval Engeland niet echt verslagen kon worden. Hij wilde wel instemmen met een gedeeltelijke annexatie (Luik en Verviers) bij Duitsland en de aansluiting van de provincie Luxemburg bij het Groothertogdom, dat zou fungeren als Bondsstaat in het Duitse rijk. Hij ging ook akkoord met de aanhechting van Frans-Vlaanderen bij Vlaanderen, de militaire bezetting van de Vlaamse havens en eventueel een aanhechten van Antwerpen bij Nederland, indien Duitsland erin slaagde Antwerpen te bezetten. In ieder geval, en daar waren alle Duitsers het over eens, moest België in welke vorm dan ook als een buffer tegen Frankrijk en Engeland dienstdoen.

Deze Belgienpolitik werd in de maanden september-december 1914 meer genuanceerd en werd aangevuld met een Flamenpolitik.

Toen op 23 september in Brussel het bezettingsbestuur, het General-Gouvernement, in functie trad was voor de daar werkzame Duitse ambtenaren een gute Kentnisse des Französischen een vereiste. Het General-Gouvernement ging over het hele bezette Belgische gebied met uitzondering van Oost- en West-Vlaanderen, dat als etappegebied onder onmiddellijk Duits militair bestuur viel. Op 2 september 1914 schreef von Bethmann-Hollweg echter aan Maximilian von Sandt hoofd van de Zivilverwaltung (het burgerlijk bestuur) dat die aan de culturele V.B., een beweging die ijverde voor de Nederlandse taal, zoveel mogelijk steun moest verlenen. Dit gebaar was vooral bedoeld om Nederland wat vriendelijker te stemmen tegenover Duitsland. Ondanks de vrij pro-Duitse sfeer in Nederland had de Duitse agressie tegen België in brede kring verontwaardiging opgeroepen.

Wie von Bethmann-Hollweg op de Vlaams-Waalse tegenstellingen en de daarbijbehorende taalproblematiek heeft gewezen kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Nogal wat Duitsers hadden contacten met Vlaanderen en kenden de Vlaamse kwestie vanuit hun veelal historisch-filologische belangstelling of vanuit een meer politiek bepaalde Groot-Germaanse opvatting, zoals die in het Alldeutscher Verband tot uiting kwam. Daarnaast was er in de havenstad Antwerpen een vrij grote Duitse gemeenschap gevestigd. Zeker is dat de rijkskanselier inlichtingen ontving van het Duitse gezantschap te Brussel en van katholieke politici, historici en filologen die van oudsher met Vlaanderen contact hadden. Eind december 1914 had von Bethmann-Hollweg een plan uitgewerkt om door gebruikmaking van Vlaamse politieke wensen het Vlaamse deel van de Belgische staat nauw aan Duitsland te binden en zo de greep op België te verstevigen. Immers, als Duitsland de oorlog won dan was de Duitse machtspositie in België door het contact van de Duitsers met de Vlamingen verzekerd. Zou men België in een onderhandelingssituatie geheel of gedeeltelijk moeten loslaten, dan was door de versterking van het Vlaamse element in deze staat tegelijk een Duits belang gediend in die zin, dat België afstand bewaarde tegenover Frankrijk en Engeland. De Flamenpolitik mag volgens Oskar von der Lancken-Wakenitz, een van de betrokken uitvoerders in het Brusselse General-Gouverment, eine Improvisation zijn geweest, ze is snel en goed uitgewerkt totstandgekomen.

Op 16 december 1914 verwoordde von Bethmann-Hollweg het uitgangspunt van de Flamenpolitik tegenover de nieuw benoemde gouverneur-generaal Moritz von Bissing, per 16 december 1914 opvolger van militair bestuurder C. von der Goltz, als volgt: dass das Deutsche Reich bei einem starken Teil der belgischen Bevölkerung sich die Stellung eines natürlichen Beschützers und zuverlässigen Freundes erwirbt und sichert.

Op basis van taal- en cultuurverwantschap kon een gemeenschappelijke strijd tegen de Franse invloed geleverd worden. In concreto konden de bezetters de handhaving en uitbreiding van de taalwetgeving bevorderen, geleidelijk contacten leggen met de politieke en religieuze leiders in het Vlaamse land en de persverbindingen met Nederland herstellen. Om dit uit te werken richtten de Duitsers in januari 1915 een Ausschuss für flämische Angelegenheiten (Dienst voor Vlaamse Aangelegenheden) op bij de Zivilverwaltung. Op 13 februari 1915 werd deze dienst in de zogenaamde Politische Abteilung geïncorporeerd. Deze ambtelijke organisatie stond rechtstreeks onder het General-Gouvernement en werd geleid door von der Lancken-Wakenitz en Hans von Harrach. Tussen hen en de Zivilverwaltung onder von Sandt bestonden spanningen over de wederzijdse bestuurlijke bevoegdheden. Tot de taken van de Politische Abteilung behoorde het onderhouden van betrekkingen met de vertegenwoordigers van de neutrale mogendheden in Brussel, de uitvoering van de Belgien- en Flamenpolitik, de regeling van religieuze zaken, de behartiging van economische zaken en het regelen van perszaken. De details van de Flamenpolitik komen verder nog aan de orde. In grote lijnen bleef de Flamenpolitik tot in de zomer van 1918 ongewijzigd. De Duitsers bevorderden vanaf 1916 via de bestuurlijke scheiding een zekere mate van federalisering van de Belgische staat, wat paste in hun verdeel- en heersstrategie. Von Bethmann-Hollweg schreef von Bissing op 6 januari 1916, dat het het opzet was dat, ook als de oorlog zo verliep dat Duitsland niet naar eigen goeddunken over België kon beschikken, men bij de onderhandelingen kon verwijzen naar een sterke nationaal-V.B. die stelling kon nemen tegenover de Belgische regering en haar bondgenoten.

Vanaf 1917 speelde ook het zelfbeschikkingsrecht geformuleerd door de Amerikaanse president Woodrow Wilson voor de Duitsers een rol. Zij wierpen zich op voor de zelfbeschikking van Polen, Vlamingen en Oekraïners. Pas op 11 juli 1918, onder rijkskanselier Georg von Hertling, deed Duitsland afstand van deze politiek. België zou in zijn oude staatsstructuur als vuistpand moeten dienen bij vredesonderhandelingen met de Entente-mogendheden. Van de zomer van 1918 tot 11 november 1918 ging het in feite om het ongedaan maken van de Flamenpolitik.

In het kader van de Flamenpolitik zette de Duitse regering ook politici en particulieren in bij het bewerken van de publieke opinie in Vlaanderen en in hun eigen land. Hierin speelden de katholieke politici van de Zentrumpartei een belangrijke rol, maar ook liberalen en socialisten ontbraken niet. Voor de katholieken in Duitsland was Vlaanderen een bolwerk van gelovigen te midden van een ontkerstenende verfransing. Deze gedachte leefde overigens ook bij veel Vlaamse katholieken, wat hun waardering voor Duitsland en voor het activisme kan verklaren. Duitse socialisten probeerden via propaganda voor de Duitse sociale wetgeving de geesten in Vlaanderen te bewerken. Een voorbeeld van een meer persoonlijk optreden is de poging van Karl Lamprecht om de Gentse historicus Henri Pirenne voor Duitsland te winnen. In Duitsland zelf werd de propaganda voor Vlaanderen en voor de Duitse betrokkenheid bij Vlaanderen georganiseerd via de Deutsch-Flämische Gesellschaft met afdelingen in vele Duitse steden. De Gesellschaft was ook belast met de pro-Duitse en activistische propaganda onder de duizenden al dan niet vrijwillig in Duitsland werkende Vlaamse arbeiders.

De Flamenpolitik was gebaseerd op niet vervulde, maar al wel in beperkte radicale Vlaamse kringen verwoorde politieke verlangens. De verwezenlijking van deze verlangens moest het lokmiddel zijn, de uiteindelijke realisatie kon echter alleen onder Duitse goedkeuring en leiding plaatsvinden. Het gedachtegoed was Vlaams, de verwezenlijking Duits en dat zou de overgrote meerderheid van het Vlaamse volk zeer wel inzien.

Niettemin was er voor de Flamenpolitik vorm had gekregen al een dissidente Vlaamse stroming aan de oppervlakte gekomen; de Jong-Vlaanderen groep van Gent. Na een eerste bijeenkomst op 14 oktober 1914 kwam op 24 oktober een tiental jonge flaminganten bijeen die Jong-Vlaanderen stichtten, naar analogie met de Jong-Turkse beweging die in het Osmaanse Rijk het oude establishment wenste op te ruimen en te vervangen. Onder leiding van de fanatiek anti-Belgische en pro-Duitse, ja zelfs pan-Germaans denkende, uit Nederland afkomstige predikant Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard boog een achttal jonge Vlamingen zich over een op te stellen politiek programma. Zij kenden elkaar uit de radicale Vlaamse studentenkring Ter Waarheid en/of via het blad De Bestuurlijke Scheiding. Zij hadden met elkaar gemeen dat zij de oplossing van de Vlaamse problematiek via Duitslands machtspolitiek te verwezenlijken achtten. Hun programma dat tijdens de oorlog nauwelijks meer zou worden gewijzigd kwam neer op: 1/ het verdwijnen van de staat en naam België; 2/ de stichting van een koninkrijk Vlaanderen dat economisch en militair met Duitsland verbonden zou zijn; 3/ Nederlandse taal de enige taal in het koninkrijk Vlaanderen; 4/ leerplicht; 5/ dienstplicht; 6/ als schadeloosstelling voor de materiële oorlogsschade en voor het oplossen van de overbevolking zouden in Frans-Vlaanderen in een onder militair bestuur staand gebied Vlaamse nederzettingen met speciale voorrechten moeten komen. Dat voor Duitsland een grote rol was weggelegd blijkt uit een uiting van Leo Picard: "De goede weg is volgens mij eerst inlijving (bij Duitsland) en dan met alle kracht verdrijving van het Fransch; dan moet er gewerkt worden om Holland, Zweden, Noorwegen en Denemarken met Duitschland te vereenigen in één groote Germanenbond, en zóó kan Vlaanderen, eerst geheel vernederlandscht op een min of meer federatieve wijze met Holland vereenigd worden."

Tezelfdertijd had Domela Nieuwenhuis betrekkingen aangeknoopt met Duitse officieren uit het etappegebied. In november trad de Duitse, maar Nederlandstalige Hermann Wirth als contactpersoon naar voren. Hij was verbonden aan de persafdeling van het etappebestuur. In Gent hadden de Jong-Vlamingen voorlopig nauwelijks aanhang, laat staan daarbuiten. Maar ze roerden zich des temeer. Er werd al over een eigen dagblad gedacht en in een "Kerstbrief" aan de Duitse keizer zag men zichzelf als "trouwe grenswachters" van het Germanendom en wenste men zelfs Aufnahme in das Reich. Dit werd in een tweede brief, in januari 1915 afgezwakt tot aanhechting "met behoud van eigen Vlaamsche staatsvorm, van eigenaardigheid en van taal". Tegen een te Duitse koers was intussen bezwaar gemaakt door Marcel Minnaert en Picard, die meer aandacht voor Nederland wensten. Het Groot-Nederlandse politieke ideaal zou overigens gedurende de oorlog niet alleen in de Jong-Vlaamse maar ook in gematigder activistische kringen weinig weerklank vinden.

Ook elders in het Vlaamse land was er behoefte aan een positiebepaling tegenover de Duitse bezetting en de Godsvrede. In Brussel kwamen volgens de activist Arthur Faingnaert, Vlaamsgezinden in de loop van september-oktober 1914 weer bijeen in 't Vlaamsche Huis (Vlaamse Huizen) aan de Grote Markt. De vaak heftig verlopende debatten, die zich toespitsten op het al dan niet doorgaan met Vlaamse acties, bereikten op 16 november een hoogtepunt. August Vermeylen pleitte voor "de historische eenheid van het Belgische vaderland" en vond alle klachten en grieven op taalgebied onzin. De invoering van het algemeen kiesrecht zou dit alles tot een oplossing brengen. Hendrik Grosemans en Lodewijk de Raet gingen hier tegenin. De Godsvrede-aanhangers scheidden zich af en vormden een eigen Vlaamsche Studiekring (Vermeylen, Karel van de Woestijne en anderen). De rest van de deelnemers zou een plaats vinden in het Brusselse activisme. Daarvoor al overleed De Raet op 24 november 1914. Maar Emiel van Bergen en Jozef Haller von Ziegesar kozen eerder via de oprichting van hun dagblad De Gazet van Brussel op 29 november 1914 voor contact met de Duitse bezetters, zonder wier toestemming geen krant kon verschijnen. Het blad werd gefinancierd met Duits geld, en de toon ervan was pro-Duits. Allerlei franskiljons gedrag werd aangeklaagd en van Bergen en Haller von Ziegesar schreven over taal- en andere wantoestanden aan het IJzerfront op een weinig vaderlandslievende toon. Rond hen zou zich in de loop van 1915 het Brusselse activisme vormen.

Tegelijk riep Jozef van Wetteren op 29 november 1914 de vertegenwoordigers van de Groeningerwachten uit Antwerpen en omgeving bijeen. Veel leden van de Vlaamse propaganda- en jongerenorganisatie waren in militaire dienst gegaan en hun berichten van het front waren zorgwekkend.

De officiële woordvoerders van de Vlaamse politieke en culturele organisaties toonden in 1914 hun trouw aan de Belgische staat en aan het ideaal van de Godsvrede. Kleine groepjes, veelal jongeren, wezen de Godsvrede af en toonden zich pro-Duits. De Duitse overheid had inmiddels besloten de Vlaamse kwestie te benutten om haar greep op België te versterken. Hoewel in het vervolg veelal sprake is van de Duitsers, moet onderscheid gemaakt worden tussen de Duitse regering te Berlijn en het Duitse bestuur te Brussel, dat met betrekking tot het annexatievraagstuk meer oog had voor de wisselende militaire en politieke situatie en voor de in het etappegebied verblijvende Duitse militaire autoriteiten. De laatste groep was geneigd de radicale Vlaamse zelfstandigheidseisen te steunen om de Duitse greep op België te versterken.

1915

In 1915 kreeg het activisme organisatorisch structuur. In de eerste plaats zien we Jong-Vlaanderen zich vanuit Gent uitbreiden naar steden binnen en buiten het etappegebied. Er waren in de loop van 1915 lijnen naar Oostende, Brugge, Lier, Antwerpen en Brussel. In Gent vormde zich bovendien een tweede, meer katholieke, Jong-Vlaanderen groep met Evarist Stocké en J. van der Mensbrugghe als leiders.

Het belangrijkste was echter dat de Jong-Vlamingen vanaf februari 1915 beschikten over een eigen dagblad De Vlaamsche Post, dat door de Duitsers gefinancierd en gecontroleerd werd. De verschijning van het blad riep protesten op van regeringsgetrouwe Vlamingen. In de eerste plaats in Gent, waar de Vlaamse elite met onder meer Paul Fredericq tegen het blad ageerde. Later, in augustus 1915, zouden leidende figuren uit de vooroorlogse beweging protesteren tegen het Jong-Vlaamse gedachtegoed. Het protest ging uit van Herman Teirlinck, Karel van de Woestijne, Louis Franck, August Vermeylen en Camille Huysmans.

In het algemeen was in het voorjaar van 1915 bij veel Vlamingen een groeiende irritatie merkbaar over de taaltoestanden aan het front, over het optreden van het nog altijd Franstalige politieke establishment in het Nationaal Hulp- en Voedingscomité, over de slechte doorvoering van de wet op het lager onderwijs van 1914 en de verdenking van Duitsgezindheid van de Vlamingen.

In april 1915 kwamen de activisten naar buiten met een tweetal opmerkelijke politieke uitspraken. August Borms schreef in zijn, vermoedelijk met Duits geld gesteunde periodiek Antwerpen Boven, dat Vlaanderens bijdrage aan de oorlogsinspanning automatisch ook "Vlaamsch recht" inhield in de zin van het stellen van politieke eisen die ingewilligd dienden te worden. In de Lierse afdeling van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), die via Reimond Kimpes invloed op de Jong-Vlaanderen lijn zat, verscheen een manifest bestemd voor een eventuele vredesconferentie. Hierin werd geëist dat de Vlamingen zichzelf onder eigen bestuur, in hun eigen taal en op eigen kracht zouden kunnen ontwikkelen.

Via het contact tussen Borms en Kimpe vergaderde in Antwerpen in de periode tussen mei en november 1915 een aantal flaminganten uit Antwerpen, Brussel en Lier. Zij kozen uiteindelijk voor het activisme. Discussiethema was de 'bestuurlijke decentralisatie', waarover men uiteindelijk geen gemeenschappelijke visie kon ontwikkelen. Mogelijk speelde ook het feit dat in Antwerpen rond Franck een krachtige oppositie tegen het activisme bestond.

In juni 1915 kwamen te Brussel uitgebreidere betrekkingen tussen de Duitse bezetters en Vlamingen tot stand. Een aantal activisten, georganiseerd in de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak had op 18 juni 1915 onder leiding van Jacob Lambrichts contact met onder andere Max Gerstenhauer. Het gesprek ging over de toepassing van de taalwet van 1914 voor het lager onderwijs in het Brusselse. Stadsbestuur en inspectie weigerden deze wet toe te passen, wat ook elders (bijvoorbeeld in Gent) het geval was. Over dezelfde materie vergaderde op 8 juli 1915 te Brussel de Katholieke Vlaamsche Bond onder leiding van Lambrichts. Met één tegenstem werd beslist overtredingen op de taalwet bij de bezetters te melden. De eensgezindheid rond dit besluit voorkwam het uiteenvallen van de Bond niet. Op 15 november 1915 brak de Bond met de activisten. Een deel ging met Lambrichts over naar het activisme en werd vanaf mei 1917 de katholieke en activistische kring Vrij Vlaanderen. De kring hing de idealen van Jong-Vlaanderen aan.

Zo bleef het in de eerste helft van het jaar in Vlaanderen nog bij een voorzichtig peilen en studeren. Pius Dirr bestudeerde in opdracht van Moritz von Bissing de taal- en onderwijstoestanden, mede met het oog op een mogelijke vernederlandsing van de rijksuniversiteit te Gent. Verder scheidden de Duitsers in februari 1915 de Waalse en Vlaamse krijgsgevangenen. De Vlaamse krijgsgevangenen konden zo gemakkelijker door de Duitse en activistische propaganda bewerkt worden.

Een stroomversnelling in het proces rond het al dan niet kiezen voor het activisme gaf in Nederland, niet in Vlaanderen, aanleiding tot een markante gebeurtenis.

Onder de uitgeweken Belgen bevond zich een groep overtuigde Vlaamsgezinden, onder wie de katholieke parlementariër Frans van Cauwelaert en de socialistische jurist Albéric Deswarte. Zij hadden een eigen dagblad De Vlaamsche Stem gesticht, dat verscheen van 1 februari 1915 tot 1 februari 1916. Deswarte was hoofdredacteur, met René de Clercq, André de Ridder, Johan Eggen en Cyriel Buysse als redacteuren. Het blad was gesticht met geld van sympathiserende Nederlanders en met Vlaams geld. De financiële basis was smal, waarvan de Duitsers spoedig zouden profiteren. Het blad was trouw aan de Godsvrede. Het veroordeelde het pan-Germanisme en het radicalisme van De Vlaamsche Post, maar meldde wel alle franskiljonse aanvallen op Vlaanderen en het schreef ook over de taaltoestanden aan het front. Op 8 april 1915 eiste Eggen in een artikel dat koning Albert na de oorlog recht zou doen aan de Vlamingen en hij pleitte voor een eentalig Vlaanderen ook in institutioneel opzicht. Op 23 mei en in drie artikelen tussen 28 en 30 juni verdedigde Deswarte echter al een federaal België en wees hij de Godsvrede af. Op 1 juli schreef de inmiddels tot de redactie toegetreden Antoon Jacob dat "herstel van België op de oude grondslag onmogelijk was". Passivisten als Van Cauwelaert, Julius Hoste (jr.) en Buysse reageerden geschokt, maar in het Guldensporennummer van 11 juli schreef ook Van Cauwelaert over het recht op eerherstel en het recht op volkomen gelijkheid op alle terreinen voor Vlaanderen. Er was, zo schreef hij, geen België bestaanbaar zonder "eerlijk doorgevoerde rechtsgelijkheid".

Tegelijk werd op de Guldensporenslagherdenking te Bussum, georganiseerd door De Vlaamsche Stem en de studentenafdeling van het ANV te Utrecht en bijgewoond door behoorlijk wat Noord-Nederlandse ANV-leden, een door Jacob en Deswarte ondertekend telegram aan koning Albert gezonden, met de vraag naar de zelfstandigheid van Vlaanderen in een onafhankelijk België. De Utrechtse studentenafdeling van het ANV verzond op verzoek van uitgeweken Leuvense, Gentse en Brusselse studenten een telegram naar gouverneur-generaal von Bissing met het verzoek reeds nu de vernederlandsing van de Gentse universiteit toe te zeggen.

Hoe valt de radicalisering in de periode juni-augustus 1915 te verklaren? Ook hier heeft de Duitse invloed een beslissende rol gespeeld. Gebruikmakend van een op zich niet anti-Duits klimaat in Nederland breidde de Duitse gezant Richard von Kühlmann, zelf een voorstander van annexatie van België, zijn gezantschap in april 1915 uit met een Hilfsstelle onder Friedrich Wichert. Deze Hilfsstelle moest Duitse propaganda bedrijven en met name het Duitse optreden in Vlaanderen 'verkopen'. Hierbij maakte het gezantschap gebruik van bestaande pro-Vlaamse en politieke Groot-Nederlandse gevoelens. Een belangrijke rol was toebedeeld aan Frederik C. Gerretson en Derk Hoek die contact hadden met Jong-Vlamingen als Leo Picard. Zij kenden elkaar al van de vooroorlogse studentencongressen voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Gerretson en Hoek hadden bovendien te Brussel gestudeerd. Inmiddels was in de Jong-Vlaamse kring onenigheid ontstaan over de te varen koers. Het ging om een keuze tussen een soeverein Vlaams koninkrijk of een federale Belgische staat. In september 1915 was de breuk een feit. Picard, Jules van Roy, Frans Primo en Jozef Boulengier traden uit Jong-Vlaanderen en uit de redactie van De Vlaamsche Post en kozen voor het federalisme. Ook Gerretson verdedigde deze opvatting. Hij wenste een federalisering van België om op deze wijze een Vlaams overwicht in de nieuwe staat te scheppen. Deze staat zou neutraal moeten zijn tegenover Frankrijk en Engeland en (dat werd niet openlijk gesteld) samen met Nederland een politieke verbintenis met het Duitse keizerrijk aangaan. Deze politieke optie werd in Nederland in bepaalde politieke kringen mogelijk en zelfs wenselijk geacht. De antirevolutionaire politicus en oud-premier A. Kuyper bepleitte in zijn blad De Standaard voor Vlaanderen en Wallonië een oplossing als voor Oostenrijk en Hongarije. De liberale minister-president P.W. Cort van der Linden en de christelijk-historische politicus en partijleider A.F. de Savornin Lohman dachten langs gelijke lijnen en rekenden op een Duitse overwinning. Dit was voor de Hilfsstelle een goed werkterrein. De Stelle verschafte in mei 1915 het geld voor het opkopen van de nog openstaande aandelen van De Vlaamsche Stem en verwierf zo een meerderheidspositie. Dit alles gebeurde in het grootste geheim en ogenschijnlijk was Gerretson de nieuwe eigenaar. In de oppositie, bij Van Cauwelaert en de zijnen leefde het vermoeden dat er Duits geld achter zat, maar men kon dit niet bewijzen. Ook medewerkers De Clercq en Jacob waren niet op de hoogte. Zij namen de plaats over van Deswarte die van zijn radicale ideeën terugkwam. In het kader van de activistische, Groot-Nederlandse en pro-Duitse propaganda paste ook de creatie van nieuwe bladen als De Toorts en Dietsche Stemmen en de veel radicalere De Dietsche Bond, die in tegenstelling tot het ANV, het activisme wel aanvaardde. In hoeverre deze activiteiten ook met Duits geld betaald werden is nog steeds niet duidelijk, al is zeker dat Anton van Vessem en Theodorus van Welderen Rengers geld in De Toorts hebben gestoken. Wel hadden Van Vessem en Willem van Es, redactieleden van Dietsche Stemmen en De Toorts contact met Duitse propaganda-instanties in Brussel. Anderzijds moet worden opgemerkt dat er binnen deze Dietsche kringen ook reserves bestonden tegenover Duitsland, zoals bijvoorbeeld bij uitgever Leo Simons.

In De Vlaamsche Stem verdedigden Jacob en De Clercq het federale ideaal. De vraag in hoeverre daar ook mee in de Duitse kaart gespeeld werd, wees Jacob af. Hij schreef op 17 oktober 1915 in De Vlaamsche Stem: "Of een Vlaams Vlaanderen ook een Duits belang is, kan ons onverschillig zijn. Ons volstaat te weten, dat het is: ons hoogste volksbelang."

In november 1915 werkte Jacob het verschil tussen 'actieven' en 'passieven' verder uit. De actieven gingen uit van een wederkerige loyaliteit tussen overheid en onderdanen. De passieven gingen uit van een eenzijdige loyaliteit van de onderdanen jegens de overheid. De uitleg die de activisten gaven aan de wederkerige loyaliteit met een voorbijgaan aan alle wettig gekozen en bij de wet ingestelde organen overschreed de grens van een wettige en loyale oppositie.

Van belang was ook dat de Belgische overheid Jacob en De Clercq in verband met hun werkzaamheden en publicaties in De Vlaamsche Stem inmiddels geschrapt had van de lijst van docenten aan de rijksathenea. Het was de eerste zeer duidelijke en negatieve stellingname van de Belgische overheid tegenover het activisme, wat bij de activistisch gezinde Vlamingen kwaad bloed zette. Zij ontvingen diverse sympathiebetuigingen, onder andere van Antwerpse jongeren als Eugène de Bock, Herman Vos, René Victor, Paul van Ostaijen en Willem Elsschot. Ook Borms pakte in Het Vlaamsche Nieuws van 20 november stevig uit met zijn artikel "Van Cauwelaert, wat hebt gij met uwe broeders gedaan?". Hij had deze regeringsdaad moeten voorkomen. Van Cauwelaert werd vanaf dit moment van activistische zijde regelmatig aangevallen en hem werd halfhartigheid en lafheid verweten. Het activisme had zijn eerste martelaren.

Inmiddels verging het De Vlaamsche Stem slecht. Van Cauwelaert had een tegenblad gesticht, het weekblad Vrij België, dat succesvol was. In februari 1916 verdween De Vlaamsche Stem van het toneel. Kennelijk waren de Duitsers niet van plan er verder geld in te steken. Vermoedelijk leverde de Hilfsstelle in Nederland te weinig rendement op en bleef de pro-Duitse kring te beperkt en deze waagde het niet buiten de paden van de neutraliteit te treden. Eind 1916 hief von Kühlmanns opvolger de Hilfsstelle op.

In Vlaanderen deed in het najaar Jong-Vlaanderen van zich spreken. Op 18 september 1915 overhandigde Jong-Vlaanderen, nu geheel geradicaliseerd na het uittreden van de groep rond Picard, zijn programma van "Zeven Punten" aan von Bissing. Een maand later bracht Domela Nieuwenhuis een bezoek aan Berlijn en overhandigde dezelfde punten aan von Bethmann-Hollweg, de legerleiding en de Rijksdag. Enige concrete toezegging kreeg hij niet. Het was nog maar de vraag of eenieder in Duitsland zo verguld was met het idee van een Vlaams koninkrijk en kon instemmen met Felix Timmermans' woorden "Het Koninkrijk der Vlamingen! En dan is iedereen onzen vriend". Het sterke leunen van Jong-Vlaanderen op Duitsland was voor de Duitse autoriteiten soms compromitterend. Het Jong-Vlaanderen-programma vond wel steun bij de legerleiding in het etappegebied, maar riep tegelijk irritaties op bij de Politische Abteilung te Brussel, waar men in het ambtelijke circuit de federale kaart speelde. Voorlopig groeide de aanhang van Jong-Vlaanderen en oordeelde men de tijd rijp om de kernen buiten Gent in een centraal geleide organisatie onder te brengen. Aldus geschiedde op 1 november 1915 te Gent, waar de Nationale Jong-Vlaamsche Beweging gesticht werd met Eugeen van Oye (Oostende) als eerste voorzitter en Domela Nieuwenhuis als tweede. Verder maakten Gustaaf Vermeersch (Brussel) en Reimond Kimpe (Lier) deel uit van het bestuur. Met Kerst vergaderden de leden opnieuw. Nu stond de Gentse universiteit op de agenda. Maar met betrekking tot dit punt hadden de Duitsers al een en ander voorbereid.

Von Bethmann-Hollweg had de realisatie van de vernederlandsing van de Gentse universiteit al eind 1914 aan von Bissing gesuggereerd. Overigens hadden in december 1914 Josué de Decker, Willem de Vreese en Jozef Haller von Ziegesar zich ook met deze materie beziggehouden. Van Duitse kant had Dirr de kwestie bestudeerd en op 15 september 1915 was aan de Gentse hoogleraren gevraagd hun werkzaamheden te hervatten. Op 20 september kwam een negatief antwoord. Toch zetten de Duitsers door. Op 2 december 1915 werd beslist gelden op de begroting voor 1916 vrij te maken voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Op 31 december 1915 verscheen hierover een mededeling in de pers. Deze zaak zou in 1916 de gemoederen zeer beroeren en de partijen pro en contra de Godsvrede scherper tegenover elkaar plaatsen. De partijen die von der Lancken-Wakenitz eind 1915 omschreef met: zij, die herstel van de oude vooroorlogse toestand wensten met een overwinning van de Entente-mogendheden; zij, die het extreme programma van Jong-Vlaanderen aanhingen en vrij nauwe banden met Duitsland wensten en als derde groep zij, die op een overwinning van de Entente-mogendheden hoopten, maar geen Franse dominantie wensten, een Groot-Nederland onmogelijk achtten en zo haast vanzelfsprekend wel tot het besluit moesten komen dat eine Angliederung an Deutschland in irgend einer Form onontkoombaar zou zijn.

1916

Het einde 1915 bekend geworden Duitse initiatief om de rijksuniversiteit te Gent te vernederlandsen kreeg dit jaar zijn beslag. Het zou geen eenvoudige operatie worden. Pogingen om de hoogleraren weer aan het werk te zetten waren mislukt. De heropening zou duidelijk met nieuwe benoemingen gepaard moeten gaan. Daartoe zocht W. von Dyck van de Zivilverwaltung contact met Willem de Vreese, Josué de Decker en Hippoliet Meert. In februari 1916 leverde een nieuwe enquête naar de bereidheid tot het geven van onderwijs slechts acht positieve reacties op. Een Duitse academische adviescommissie raadde echter aan door te zetten. Deze commissie stelde tevens vast dat in een aantal faculteiten een en ander schortte aan het wetenschappelijk niveau en suggereerde het verzet van de hoogleraren te breken. De bezetters aanvaardden het rapport en besloten op 18 maart twee hoogleraren, Paul Fredericq en Henri Pirenne, die zich zeer kritisch hadden opgesteld, naar Duitsland te deporteren. Deze maatregel lokte in binnen- en buitenland veel kritiek uit. Trouwens, al eerder hadden in januari 1916 de Antwerpenaren Nicolaas J. Cupérus en Louis Franck protest aangetekend tegen het Duitse voornemen om Gent te vernederlandsen. Uiteindelijk tekenden 38 personen dit manifest. Bij de ondertekenaars waren zeven leden van de vijftig leden tellende tweede hogeschoolcommissie (1907). Lodewijk Dosfel stelde in april 1916 vast dat het enthousiasme niet groot was.

Ondertussen had Moritz von Bissing op 15 maart 1916 het oude Koninklijk Besluit van 9 december 1849, waarin vastgelegd was dat het Frans de onderwijstaal was voor het hoger onderwijs, gewijzigd. Vanaf het academisch jaar 1916-1917 zouden de colleges te Gent in het Nederlands plaatsvinden.

Op 5 april liet Theobald von Bethmann-Hollweg in de Rijksdag weten dat Duitsland zijn verplichtingen tegenover Vlaanderen aanvaardde. Het zou de Belgisch-Vlaamse problematiek op de vredesconferentie aan de orde stellen. Duitsland wenste niet een België dat een vazal van Frankrijk en Engeland was, of een militair en economisch bolwerk tegen Duitsland. Duitsland zou Vlaanderen een eigen ontwikkeling op basis van de Nederlandse taal verzekeren.

In diezelfde maand werkten de Zivilverwaltung (von Dyck) en de Politische Abteilung (Pius Dirr) verder aan de heropening van de universiteit. Er waren interne meningsverschillen over het voorrang geven aan kwaliteit boven tempo. Tegelijk werden Vlamingen, onder wie De Decker, ingeschakeld om advies te geven. Ook schrok men niet terug voor enige chantage om de Belgische afdeling van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) om te krijgen, hetgeen lukte. Voor het bewerken van de publieke opinie waren al eerder pogingen ondernomen. De Brusselse activistische Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak had plannen gemaakt om een nieuwe hogeschoolcommissie op te richten. Hendrik Grosemans en De Decker schreven over de vernederlandsing van de Gentse universiteit in De Gazet van Brussel en publiceerden onder het pseudoniem van Demos de brochure De strijd om een Vlaamsche Hoogeschool. Het huidige standpunt. In mei 1916 trad het Nationaal Vlaamsch Studentenverbond in de openbaarheid en moedigde uitgeweken studenten aan om hun studie in Gent te hervatten. Op 12 juli 1916 vergaderden Vlaamse leden van het ANV en leden van de Katholieke Vlaamsche Oud-Hoogstudentenbond te Brussel over de vernederlandsing van Gent. Zij besloten gezamenlijk tot de stichting van een Bond tot Bevordering van de Vlaamsche Hoogeschool te Gent (kortweg de Hoogeschoolbond) en waren van mening dat zij slechts "een lang geëischte, al te lang verdaagde, dus volkomen rechtsherstelling" begeerden te verwezenlijken. De twee samenwerkende organisaties kwamen elk met een eigen manifest. Het ANV-manifest kreeg honderd handtekeningen, het katholieke zesenzestig. Alle handtekeningen waren afkomstig van Vlaamse intellectuelen, onder wie zestien leden van de Tweede Hoogeschoolcommissie (1907). In het najaar organiseerde de Hoogeschoolbond grote bijeenkomsten in Antwerpen en Brussel. Op 15 oktober stelde Dosfel, die door de Duitsers onder druk was gezet om een hoogleraarspost te bezetten, in zijn rede "De vervlaamsching der Gentsche hoogeschool beschouwd met het oog op de plichten der Vlamingen jegens vorst en land", dat "de Vlaamsche hoogeschool een Vlaamsch recht was en bleef, geen gunst, geen verraad". Een nieuwe handtekeningenactie voor de vernederlandsing leverde uiteindelijk 3000 ondertekenaars op.

Intussen hadden de Duitsers het gebrek aan hoogleraren (uiteindelijk waren zeven hoogleraren bereid onder het nieuwe bestel hun werk te hervatten) opgevangen. Van de 43 hoogleraren waren er 36 nieuw benoemd. Van hen kwamen er 25 uit Vlaanderen en 11 uit Nederland en Duitsland. De rekrutering was gepaard gegaan met mooie geldelijke aanbiedingen en garanties. In Nederland was in academische kringen forse kritiek uitgeoefend op hen die in Gent een benoeming hadden aanvaard. Er was zelfs een door honderd academici ondertekend protest tegen de Duitse inmenging in Belgische zaken gepubliceerd.

Op 21 oktober opende von Bissing officieel de vernederlandste universiteit en op 24 oktober volgde het traditionele begin van het academisch jaar met een rede van de rector-magnificus Pierre Hoffmann. Hij wees op de sociale taak van universiteit en afgestudeerden tegenover het volk.

In het eerste jaar steeg het getal studenten van 60 tot 140. Een klein getal tegenover de 1315 uit 1913-1914. In 1918 zou de universiteit 70 hoogleraren en 417 studenten tellen. De andere universiteiten waren gesloten en door in Gent te gaan studeren kon men aan tewerkstelling in Duitsland ontsnappen.

De Duitse studiecommissie deed nog nuttige aanbevelingen om het peil van het onderwijs te verbeteren. Al met al konden de twee academische jaren van de 'von Bissing universiteit' in wetenschappelijk opzicht de toets der kritiek doorstaan en dat terwijl er een aanzienlijk aantal jonge geleerden zonder wetenschappelijke faam was benoemd.

Voor de Duitsers was de vernederlandsing het grote lokmiddel van de Flamenpolitik. Het had ook succes omdat dit vraagstuk diep in het hart van veel Vlamingen leefde. Maar het bracht tevens een scherpere scheiding aan tussen hen die de Godsvrede wilden handhaven en hen die voor het activisme kozen. Op 10 oktober veroordeelde de Belgische regering de hele operatie. Alle medewerkers werden uit de nationale orden geschrapt. De diploma's zouden ongeldig zijn, de benoemingen ongedaan gemaakt worden. Er kwam slechts de belofte om na de oorlog volledige gelijkheid in rechte en in feite aan de Vlamingen toe te kennen. Het parlement zou la question de la transformation de l'Université de Gand oplossen. Minister Prosper Poullet moest zijn uitspraak over een onmiddellijke omvorming van de Gentse universiteit na de oorlog intrekken. Door zich hier duidelijker uit te spreken had de regering het activisme een gevoelige slag kunnen toebrengen. Dat dat niet gebeurde, leidde tot een verharding van de sfeer, ook bij de Frontsoldaten.

Er waren echter meer zaken waar de uitvoerders van de Flamenpolitik succes mee konden boeken. Naast de vernederlandsing van het hoger onderwijs was er de toestand van het lager onderwijs. De wet op het lager onderwijs van 1914 werd zeker in Brussel slecht nageleefd, wat door meer dan een activist aan de bezetters was gemeld. Op 24 februari 1916 besloot de Politische Abteilung actie te ondernemen inzake deze materie. In feite koos men voor het na de Eerste Wereldoorlog toegepaste systeem 'streektaal is onderwijstaal'. De formule was dat in Vlaanderen de streektaal het Nederlands was, tenzij het gezinshoofd een andere taal opgaf, hetgeen door het schoolhoofd gecontroleerd diende te worden.

Ook op het vlak van de bestuurlijke scheiding

zette het Duitse bestuur de eerste stappen. Deze gedachte was eind 1915 door naar Nederland uitgeweken activisten geformuleerd en aan de Duitsers overgebracht. Von Bissing en Oskar von der Lancken-Wakenitz hadden zich overigens al in januari en februari 1915, uitgaande van de door hen vastgestelde tweedeling in de Belgische staat, geuit in de zin van een bestuurlijke splitsing van de delen. Op 31 juli 1916 sprak von Bissing over dit vraagstuk in kleine ambtelijke kring. Verwezenlijking van de bestuurlijke scheiding zou niet alleen de positie van Vlaanderen in België versterken, maar der Eingriff in das belgische Verwaltungssystem zou hetzelfde voor Duitslands positie in België bewerkstelligen. Op 25 oktober 1916 besloten de bezetters tot de splitsing van het ministerie van kunsten en wetenschappen (onderwijs) over te gaan. Er kwam een Waalse en een Vlaamse afdeling. Pieter Tack werd belast met het hoger onderwijs en Meert met het middelbaar onderwijs.

Ten slotte zien we in 1916 de eerste pogingen van de activisten om tot eenheid te komen. Van Duitse zijde en met name van de kant van de Politische Abteilung was duidelijk gemaakt dat Jong-Vlaanderen met zijn radicale soevereiniteitsgedachte voor Vlaanderen niet op sympathie en steun mocht rekenen. De militairen in het etappegebied bleven er anders over denken. Bovendien wensten de Duitsers een duidelijk aanspreekpunt. Verder speelde een rol dat er in de loop van 1916 sprake was van onderhandelingen tussen de Centrale- en de Entente-mogendheden. Dan dienden de activisten hun verlangens helder te hebben, zodat Duitsland die in de onderhandelingen zou kunnen meenemen.

Op 2 april 1916 poogde een aantal Antwerpenaren een Vlaamsch Verbond te stichten. Het Verbond zou moeten streven naar een zelfstandig Vlaanderen in een onafhankelijk België. Op 24 april trachtte men in Brussel een Algemeen Sekretariaat der Radicale Vlaamsche Groepen op te richten. Secretaris werd Arthur Faingnaert en op 23 juli kwam er zelfs een Middenraad. Maar tegelijk nam de verwarring toe. In Brussel hadden op 13 juni 1916 Maurits Josson en Frans Reinhard een Vlaamsche Landsbond opgericht. In een manifest van 15 juni propageerden zij een statenbond bestaande uit Wallonië en Vlaanderen. Voor Jong-Vlaanderen ging dit niet ver genoeg en een deel bleef buiten de Landsbond. Het betekende ook het einde van de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak. De katholieke radicale activisten zouden met Jacob Lambrichts in mei 1917 overgaan naar Vrij Vlaanderen, maar werkten samen met de Landsbond. Onenigheid met de Jong-Vlamingen in de verschillende plaatsen verhinderde een effectief optreden en, voorlopig, de vorming van een landelijke organisatie.

Interessant was Antoon Jacobs optreden in de Socialistische Hoogeschool te Antwerpen op 9 september 1916. Hij sprak er over "Passivisme en Aktivisme in de Vlaamse Beweging". Zijn rede heeft zeker socialisten overgehaald te kiezen voor het activisme. Het resultaat was de vorming van een aantal socialistische activistische kernen in Antwerpen-Merksem, Gent en Brussel. Zij eisten niet alleen aandacht voor het activisme, maar legden ook sterk de nadruk op het pacifisme.

1917-1918

Eind 1916 begon men opnieuw over een eenheidsorganisatie te onderhandelen. Terwijl de besprekingen in Vlaanderen nog gaande waren, hadden enkele uitgeweken Vlamingen in Nederland, handelend onder de naam Nationaal Vlaamsche Comiteit tot Verdediging van de Vlaamsche Zaak in België, zich al met een telegram gericht tot Woodrow Wilson, president van de Verenigde Staten en tot de eerste minister van België, Charles de Broqueville. In dit telegram verzochten René de Clercq, Leo Meert, Karel van den Oever en Dirk de Vos het herstel van België "gepaard met de volledige erkenning der rechten en noden van het Vlaamse volk".

Op 7 januari 1917 konden de radicale en de gematigde activisten in Vlaanderen elkaar vinden in de formule: "de Vlamingen vragen voor Vlaanderen volledige en algehele zelfstandigheid en autonomie en de onverwijlde verwezenlijking van al de maatregelen die ertoe moeten leiden". Op 4 februari besloten 128 zorgvuldig geselecteerde aanwezigen te Brussel tot de oprichting van een Raad van Vlaanderen. De Raad bestond aanvankelijk uit 46 leden en werd in de loop van 1917 aangevuld tot 81, maar werkte in de anonimiteit. In een boodschap "Aan het Vlaamsche Volk", waarin de Raad stelde dat de vrede in aantocht was, stelde hij ook dat een België waarin Vlaanderen verdrukt werd niet mocht worden hersteld en dat hetgeen de bezettende macht ten gunste van de Vlamingen had verwezenlijkt niet ongedaan mocht worden gemaakt. Deze eisen zouden op een komende vredesconferentie gepresenteerd moeten worden.

Tot oktober 1917 bestond het bestuur van de Raad uit Pieter Tack en Jozef de Keersmaecker als voorzitters. Begin oktober traden er enige wijzigingen op. Tack werd voorzitter en Emiel ver Hees en Willem de Vreese werden ondervoorzitter.

In de Raad vormden zich commissies voor binnenlandse zaken (Florimond Heuvelmans), buitenlandse zaken (August Borms), bankwezen (Polidoor Goossens), arbeid en sociale voorzorg (Ver Hees), landbouw (Telesphorus Vernieuwe), onderwijs en kunsten (Julius Libbrecht), staatsbegroting (Ver Hees), nijverheid en openbare werken (Alfons Fornier) en een commissie voor grondwetsherziening onder Heuvelmans. De Raad was niet op democratische wijze totstandgekomen en had geen enkele bevoegdheid.

Op 3 maart 1917 ging een in overleg met de bezetters samengestelde delegatie uit de Raad naar Berlijn. Het waren Borms, Tack, Emiel Dumon, Lambrichts, Jozef van den Broeck, Ver Hees en Vernieuwe. Los van het feit dat het bezoek op de publieke opinie in Vlaanderen en elders een slechte indruk maakte en aan de toch al geringe sympathie voor het activisme verder afbreuk deed, was er in eigen kring forse onenigheid over de resultaten. De Duitsers hadden nooit een geheim gemaakt van hun reserves ten opzichte van een zelfstandig en soeverein Vlaanderen. Toch bracht de delegatie dit verlangen naar voren, maar in het door de Duitsers geredigeerde persbericht stond Selbstverwaltung und Selbstregierung, een veel vagere omschrijving dan soevereiniteit. Een tweede punt was of de Duitsers op de vredesconferentie de Selbstverwaltung zouden eisen of dat ze de realisatie ervan zouden bevorderen. In het persbulletin was sprake van "bevorderen".

Niettemin kondigde Moritz von Bissing – die op 18 april 1917 overleed – op 21 maart de zogenaamde bestuurlijke scheiding af. Om deze in goede banen te leiden richtten de Duitsers een Oberkommission op, waarin voor Vlaanderen Alexander Schaible en voor Wallonië Haniel zitting had. De Vlaamse afdelingen van de te splitsen departementen zouden in Brussel blijven, de Waalse afdelingen zouden worden overgebracht naar Namen. Dit deed het imago van het activisme geen goed. Protesterende hoge ambtenaren werden naar Duitsland gedeporteerd en op de departementen kwam naast de jacht op baantjes door activisten ook de dwang om naar Brussel te verhuizen. Een bewijs temeer dat het activisme gebrek aan kader had. Tegelijk nam het verzet tegen het activisme toe. Op 10 maart 1917 hadden na een initiatief van Louis Franck 77 personen zich in een manifest openlijk tegen de bestuurlijke scheiding gekeerd. Vanwege de 77 handtekeningen ging het de geschiedenis in als het 'stoofhakenmanifest'. De regering in Le Havre kwam op 8 april 1917 met de Besluitwet, waarin medewerking aan de vervorming van de instellingen door de vijand strafbaar gesteld werd. De rooms-katholieke Kerk, bij monde van kardinaal Désiré Mercier, veroordeelde in toespraken op 29 januari en 8 juni 1917 het activisme in scherpe bewoordingen.

De splitsing van de departementen verliep moeizaam, want ook de Zivilverwaltung werkte niet altijd mee uit vrees voor bestuurlijke chaos. Kunsten en wetenschappen (onderwijs) was al in 1916 gesplitst. Op 5 mei 1917 volgde landbouw en nijverheid, op 12 mei binnenlandse zaken, op 9 juni justitie, op 30 juli openbare werken, op 13 september zeewezen, post en telegraaf en op 11 april 1918 financiën. Het was veelal een papieren operatie. Op provinciaal en gemeentelijk niveau kregen de activisten, op een enkele uitzondering na, geen bestuurlijke macht. Alleen te Gent slaagden zij er met Duitse hulp in het schepencollege en de gemeenteraad in handen te krijgen en in Oost-Vlaanderen wisten zij in 1917 ook een gouwraad als nieuw provinciaal bestuur te realiseren. Elders zouden ook gouwraden totstandkomen, maar pas in het voorjaar van 1918, zodat er geen effect meer van uitging.

De inmiddels overleden von Bissing werd op 17 mei 1917 opgevolgd door generaal Ludwig von Falkenhausen. Oskar von der Lancken-Wakenitz van de Politische Abteilung deelde hem nog eens mede dat het Duitse voornemen ten aanzien van België bestond uit die schliessliche Errichtung der deutsche Vorherrschaft über das belgische Land bis zum Meere. Ondertussen bakkeleide de door de Raad van Vlaanderen ingestelde grondwetscommissie over de vormgeving van de banden met Duitsland "buiten wiens bescherming wij niet kunnen". De commissie zou zich hier nog tot 12 oktober 1918 mee bezighouden.

Ernstiger was de politieke val van Theobald von Bethmann-Hollweg op 12 juli 1917. Von Bethmanns opvolger G. Michaelis had geen eigen visie op het Vlaamse vraagstuk. Bovendien maakte hij al op 1 november 1917 plaats voor Georg von Hertling. Dat de verzwakking van de politieke macht een versterking kon betekenen van de militaire invloed, waar de annexatiegedachte sterk leefde, heeft de Raad niet beïnvloed. Jong-Vlaamse figuren, die in de Raad de meerderheid vormden, bleven met de gematigden (de federalisten) ruzie maken over de institutionele vorm van Vlaanderen. Interessant is wel dat de Frontbeweging in het najaar van 1917 in het pamflet Vlaanderen's Dageraad aan de IJzer de federalisering van België voorstelde en strafvervolging van de activisten door de overheid afwees.

In de maanden november-december 1917 overlegden de Duitsers (er zaten geen Vlamingen in) in de commissie-von Hippel uitvoerig over de uiteindelijke staatkundige vorm waarin de federalisering van Wallonië en Vlaanderen gestalte zou moeten krijgen. Algemene verkiezingen waren weinig zinvol gezien de antiactivistische en anti-Duitse gevoelens onder de bevolking. De commissieleden waren het wel eens over de noodzaak van een langdurige militaire aanwezigheid van Duitsland in Vlaanderen.

Het eindeloze gepalaver over de ideale staatsvorm voor Vlaanderen bereikte op 22 december 1917 een hoogtepunt. Inmiddels was het een aantal leden van de Raad duidelijk geworden dat de Duitsers hun plannen gereed hadden en dat deze niet strookten met wat een meerderheid in de Raad wenste. In die verwarde sfeer kreeg August Borms' motie: "De Raad van Vlaanderen roept de politieke zelfstandigheid uit en gaat over tot de verkiezing van een Bureau van den Raad en een Kommissie van Gevolmachtigden", de vrijwel volledige steun van de aanwezige Raadsleden (53 stemmen voor en twee onthoudingen). Jacob, Vos en Marten Rudelsheim namen echter ontslag uit de Raad. Zij interpreteerden de motie als een keuze voor een soevereine Vlaamse staat. Onmiddellijk na de jaarwisseling hervatte de Raad zijn werkzaamheden. Op 5 januari besloten de leden een Commissie van Gevolmachtigden te installeren. Zij zouden als ministers van de staat Vlaanderen de gesplitste departementen moeten gaan beheren. De commissie was als volgt samengesteld: Tack (binnenlandse zaken); Alfons Jonckx (buitenlandse zaken); Vernieuwe (landbouw en openbare werken); Ferdinand Brulez (spoorwegen); Meert (financiën); Ver Hees (nijverheid); Heuvelmans (justitie); De Decker (kunsten en wetenschappen). Op 12 januari kwamen er op bevel van de bezetters nog twee katholieken, Karel Heynderickx en Jan Quintens, bij; Borms kreeg ook nog een post als gevolmachtigde voor nationaal verweer. De Duitsers, ontstemd over de eenzijdige uitroeping van de zelfstandigheid van Vlaanderen, vervingen de Oberkommission, die de oude Raad van Vlaanderen gecontroleerd had, door een Hauptkommission. In feite veranderde er weinig. De opdracht voor de gevolmachtigden was zich te beschouwen als "geroepen om de aan de Raad van Vlaanderen opgedragen beraadslagende medewerking uit te oefenen aan mijn (lees Duitse) wetgeving voor Vlaanderen". Zowel de Raad als de gevolmachtigden hadden slechts een adviserende taak.

Wel had de Raad na de uitroeping van de zelfstandigheid van Vlaanderen, mede op bevel van de Duitsers, besloten om voor een nieuwe Raad van Vlaanderen verkiezingen –de Raad sprak over "volksraadplegingen" – uit te schrijven.

De Raad ontbond zichzelf op 18 januari 1918 en tussen 20 januari en 3 maart vonden verkiezingen plaats. Deze verliepen weinig democratisch. Alleen zij die bij voorbaat schriftelijk verklaard hadden voorstander van het activisme te zijn kregen een stemmachtiging. Het stemrecht bleef beperkt tot mannen van 21 jaar en ouder. Er was enerzijds een machtig propagandaoffensief ingezet met talrijke meetings, maar ook van de kant van de tegenstanders was er geen gebrek aan actie. Deze was bijvoorbeeld te Antwerpen zo uitgebreid dat op Duits bevel meetings afgelast werden en er in enkele plaatsen (Mechelen en Tienen) zelfs geen bijeenkomsten voor de kandidaatstellingen plaatsvonden. Uiteindelijk kwam op 9 maart 1918 een nieuwe, de zogenaamde Tweede, Raad van Vlaanderen bijeen, die steunde op 49.578 stemmen. Deze uitslag berustte op de verkiezingsuitslag in 153 gemeenten. In 150 gemeenten waren er door Duits ingrijpen geen verkiezingen geweest, al stelden de activisten dat ze daar wel aanhangers hadden. Er waren 2617 gemeenten in België, waarvan ongeveer de helft Vlaams was.

De Raad bestond formeel uit 94 leden. Ook deze Raad kenmerkte zich door heftige, oeverloze en van weinig realiteitszin getuigende debatten over de staatkundige structuur van Vlaanderen. Tegenstanders als Franck en leden van het Hof van Brussel, die Tack en Borms in hechtenis hadden laten nemen op grond van de door de uitgeweken regering uitgevaardigde Besluitwet van april 1917, werden naar Duitsland gedeporteerd. Maar ook vanuit gemeentebesturen, verenigingen en van de kant van particulieren rezen protesten tegen de verzelfstandiging van Vlaanderen. Parallel daarmee liepen de spanningen tussen de leden van de Raad en de Duitsers op. De Duitsers waren absolute tegenstanders van een soeverein Vlaanderen en botsingen bleven niet uit. Op 28 maart 1918 formuleerde de Raad in zes punten de positie van Vlaanderen tegenover België en Duitsland. De punten waren: 1/ de status-quo ante is voor Vlaanderen niet meer mogelijk; 2/ herstel van België is niet mogelijk en de naam België dient te verdwijnen; 3/ na de vrede kan van een economische strijd tegen Duitsland geen sprake zijn; 4/ Vlaanderen moet politiek zelfstandig zijn: het moet over een eigen regering, een eigen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht beschikken evenals over een eigen diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland; 5/ Vlaanderen moet vrij zijn om volgens eigen aard en inzichten zijn economische, culturele en politieke toekomst te bepalen; 6/ Vlaanderen verwacht de steun van Duitsland voor de regeling van het Vlaamse vraagstuk op internationaal vlak.

De Duitsers vonden dit te vergaand, maar zij gingen op 20 juni akkoord met een oproep van de Raad aan het Duitse volk. Daarin beleed de Raad het geloof in de Duitse eindoverwinning én in de soevereiniteit van Vlaanderen. In de Kölnische Zeitung kwam een min of meer officiële Duitse reactie. Deze ging niet verder dan het erkennen van de zelfstandigheid van Vlaanderen en Wallonië binnen een overkoepelend Belgisch staatsverband. Op 11 juli sprak de rijkskanselier von Hertling zelfs over een naoorlogs herrezen België dat zelfstandig en neutraal in vriendschap met Duitsland zou leven. Deze uitspraak deed binnen de Raad de reserves tegenover Duitsland toenemen en de discussies werden dermate fel dat de Duitsers de Raad verboden te vergaderen tot 16 augustus. De gevolmachtigden namen nu op verzoek van de Raad ontslag. De Duitsers reageerden met een vergaderverbod tot 20 september. Op 26 september kwam als opvolging van de Commissie van Gevolmachtigden een nieuwe Beirat tot stand, de Commissie van Zaakgelastigden. Deze Beirat was door Schaible met hulp van de voorzitter van de Raad van Vlaanderen, De Vreese, samengesteld en diende los van de Raad van Vlaanderen als adviescommissie voor de Duitsers te fungeren. In de Commissie van Zaakgelastigden zaten: Borms (landsverdediging), Ernest P. van den Berghe (openbare werken), Meert (financiën), Hendrik Mommaerts (landbouw), Ver Hees (nijverheid), De Decker (kunsten en wetenschappen) en als leden Alfons Depla, Adriaan Martens, Achiel Brijs en Edward Joris.

Ernstiger was dat in de zomer de Duitsers het initiatief in de strijd hadden verloren. Hun voorjaarsoffensief was vastgelopen en de geallieerden waren in opmars. F. von Payer, de Duitse vice-rijkskanselier, sprak nog optimistisch over België als een vuistpand bij komende vredesonderhandelingen. De staat kon blijven bestaan mits de Entente het economisch belang van België voor Duitsland erkende alsmede de regeling van het Vlaamse vraagstuk door de Belgische staat.

Op 29 september 1918 had de Duitse opperbevelhebber E. Ludendorff zijn regering gevraagd te onderhandelen over een wapenstilstand. De Duitse militaire positie was onhoudbaar geworden. De nieuwe rijkskanselier M. von Baden sprak nog slechts over herstel van België en schadevergoedingen. Op 17 oktober stelde De Decker in de Raad vast dat het spel gespeeld was. De Raad gaf op 18 oktober een verklaring uit waarin deze stelde: "Vergeet zooals wij, in deze plechtige ure, alles wat verdeelt. Denkt alleen aan wat ons vereenigt. De liefde voor Vlaanderen."

Ondertussen werd hard gewerkt aan de liquidatie van het activistisch apparaat. De Duitse autoriteiten drongen aan op evacuatie naar Duitsland of Nederland. De Raad installeerde in Den Haag een Vlaamsch Comité van 12 leden (de zaakgelastigden en de voorzitter en secretaris van de Raad). Ook de buitenlandse hoogleraren aan de Gentse universiteit kregen forse vergoedingen en schadeloosstellingen mee bij hun vertrek. Er was zelfs een ruime geldreserve voorzien om vanuit Duitsland en Nederland de activistische idealen uit te dragen. Dit gebeurde via illegale blaadjes die naar België gesmokkeld werden en via officiële nota's aan de Entente-mogendheden (activistische sluikpers). Vage plannen voor een gemeenschappelijk gewapend optreden van Frontsoldaten en activisten tegen een herstel van de Belgische staat bleken een illusie. Verscheidene activisten die hiervoor gebleven waren kozen alsnog het hazenpad. De Frontbeweging raakte op het einde van de oorlog verstrooid. Het activisme had een te kleine achterban en nauwe betrekkingen tussen beide organisaties waren er nooit geweest. Het overlopen van drie afgezanten van de Frontbeweging (de Sublieme Deserteurs) in het voorjaar van 1918 met als doel contact te zoeken met de gematigde activisten was in zoverre mislukt, dat het contact met de gematigden niet plaatsvond en de drie volledig ingekapseld werden in de activistische en door de Duitsers gecontroleerde propaganda. Wel probeerden na de oorlog figuren als Jef van Extergem vanuit de idealen van een activistisch socialisme (minderheidssocialisten) een soort proletarische revolutie te ontketenen naar Russisch voorbeeld. Ook dit had geen succes; hun achterban was minimaal.

De Duitse fondsen, die mee als basis voor dit soort activiteiten moesten dienen, bleken door de niet voorziene volledige ineenstorting van Duitsland en de enorme inflatie in Duitsland al voor het einde van 1919 tot nul gereduceerd te zijn.

In oktober-november 1918 trokken honderden leidende figuren, veelal vergezeld van vrouw en kinderen, over de grens. De meesten gingen naar Nederland, waar Groot-Nederlanders en met name De Dietsche Bond zich inzetten voor de opvang.

De teruggekeerde Belgische overheid deed de Besluitwet direct in werking treden. Er vielen talrijke ontslagen bij de overheidsdiensten en ook bij de organisaties van vrije beroepen werden activistische leden geroyeerd. Daarnaast vielen er 268 gerechtelijke veroordelingen. Van de 45 doodvonnissen werd er echter geen enkel voltrokken. Dat nogal wat leidende figuren het hazenpad hadden gekozen, blijkt uit het feit dat van de 268 veroordelingen er 168 bij verstek plaatsvonden. (repressie)

gedachtegoed en organisatie

In politiek opzicht was het activisme opvallend en radicaal waar het zich richtte tegen de bestaande unitaire Belgische staat en de daarbijbehorende instituties. Alleen miste het een eenduidige opvatting over een nieuwe staatkundige structuur voor het oude België. Het meest radicaal was Jong-Vlaanderen met zijn pleidooi voor een soeverein Vlaams koninkrijk. Deze visie vinden we ook terug in het op 12 oktober 1918 bij de Raad van Vlaanderen ingediende grondwetsvoorstel van de daartoe door de Raad ingestelde grondwetscommissie onder leiding van Florimond Heuvelmans. Het valt op dat deze commissie vaststelde dat de Belgische grondwet van 1830 als vertrekpunt een 'solide basis' had gevormd. Op het punt van het kiesrecht was de commissie niet vooruitstrevend. Kiesrecht, actief en passief, voor vrouwen ontbrak. Dit was merkwaardig omdat in juni 1918 te Gent bij verkiezingen voor kandidaten voor de gouwraad van Oost-Vlaanderen actief en passief kiesrecht voor mannen en vrouwen werd toegepast.

Een minderheid in de Raad van Vlaanderen stond een minder radicale breuk met de Belgische staat voor. Door deze groep werden verschillende vormen van federaal bestuur voorgesteld. De voorstanders van een statenbond tussen Vlaanderen en Wallonië gingen het verst in hun afwijzing van de oude staatsstructuur. Zij wensten meer bevoegdheden aan het federale gezag over te laten. Deze laatste groep verwierf de steun van het Duitse burgerlijke bestuur.

Op het vlak van economie steunden de activisten op het ideeëngoed van Lodewijk de Raet. Ook voor hen was 'taalbelang stoffelijk belang'. De door hen vastgestelde achterstand van Vlaanderen op het gebied van infrastructurele voorzieningen en economische bedrijvigheid die tot uiting kwam in een tekort aan werkgelegenheid met de daarbijbehorende emigratie en pendelarbeid, leidde echter niet tot de formulering van radicale economische gedachten in bijvoorbeeld marxistische zin. In de brochure De Raad van Vlaanderen aan het Vlaamsche Volk (1917) ontvouwde de Raad in negen punten een sociaal-economisch programma dat in feite gematigd was. De Raad zou zich inzetten voor: het verschaffen van werkgelegenheid; exploitatie van al de economische factoren van het land; zorg voor openbare gezondheid; uitbreiding en verbetering van de sociale wetgeving; herziening van de pachtwet; uitbreiding van het landbouwkrediet; modernisering van het fiscale stelsel en bevordering van de belangen van de middenstand.

Merkwaardig is het ontbreken van een industriebeleid om de bevolkingsaanwas en het werkgelegenheidsvraagstuk op te lossen. Men lijkt slechts oog te hebben voor de op zich in Vlaanderen duidelijk aanwezige agrarische belangengroepen en de middenstand, de groepen waar de steun voor de V.B. vanouds te vinden was.

Wat betreft de Kempische kolenbekken ging in de brochure van Arthur Faingnaert, Wat het Vlaamsche Volk weten moet aangaande het Kempische kolenbekken (1917), de eerste zorg uit naar de uitbanning van Frans kapitaal. Liederik (pseudoniem van Joris Fassotte) stelde in zijn brochure Vlaanderen's economische zelfstandigheid (1917) de economische autonomie van Vlaanderen centraal. Hij was van mening dat de dragers van de Belgische economie (banken, mijnen, spoorwegen, industrieën en dergelijke) tussen Vlaanderen en Wallonië verdeeld moesten worden. Vlaanderen zou dan de Waalse mijnen als buitenlandse ondernemingen kunnen exploiteren.

De socialistische invloed binnen het activisme was te gering om een doorbraak in radicale richting van onteigeningen en de vorming van staatsondernemingen te voorzien.

In de landbouwsector bestonden er plannen om landbouwgronden in Vlaanderen die in handen waren van vijanden van Duitsland (en dus van Vlaanderen) te onteigenen en aan Vlaamse boeren te verkopen. Het ging om de organisatie Eigen Akker onder leiding van Telesphorus Vernieuwe en Hendrik Mommaerts. Daarnaast leefde de gedachte om in het mogelijk bij Vlaanderen gevoegde Frans-Vlaanderen grond voor Vlaamse boeren vrij te maken.

Waar het de sociale wetgeving betrof was de voorbeeldwerking van Duitsland sterk. Tegelijk probeerden Duitse sociaal-democraten met het Duitse sociale stelsel de publieke opinie in België en in het bijzonder in Vlaanderen voor zich te winnen. Zij kregen hun 'kameraden' in Vlaanderen niet mee. Van Duitse zijde poogde men zelfs de Vlaamse vrouwenbeweging in de activistische milieus te beïnvloeden. De sociaal-democratische voorvechtster uit de Duitse vrouwenbeweging, Adele Schreiber-Krieger, kreeg in 1917 opdracht om in Vlaanderen vrouwen te mobiliseren. Zij legde contact met Roza de Guchtenaere te Gent en slaagde erin aldaar de Maatschappij voor Sociale Werken (1917) te stichten. In hetzelfde jaar volgde te Antwerpen de Vereeniging voor Maatschappelijk Werk en een jaar later te Brussel de Vlaamsch-Sociale Vrouwenvereeniging. Tezamen hadden de drie organisaties een drie- tot vierhonderd leden, voornamelijk uit socialistische en liberale kringen. Naast typische vrouwelijke zaken als zuigelingenzorg, kinderopvang, leeszalen (kinderboeken), ziekenverpleging en dergelijke wilde men ook politieke scholing bevorderen. Na het congres van 29 juni 1918 te Antwerpen waar ook gesproken werd over "een toekomstig politiek vrij en zelfstandig Vlaanderen", haakten de Duitsers af. Een gemeenschappelijke vrouwenorganisatie kwam niet meer tot stand en het ontbreken van solide landelijke organisaties was een van de zwakten van het activisme.

Het activisme kende vele, vaak marginale, verenigingen, die het lokale niveau niet overstegen. De genoemde getallen zijn gebaseerd op eigen opgaven. De Jong-Vlaanderen groep was erin 1915 in geslaagd een vertegenwoordiging in heel Vlaanderen op te bouwen, de Jong-Vlaamsche Gemeenschap, die tot in 1918 congressen zou houden. Toch groeiden zij niet uit tot een grote landelijke partij. Alleen in Gent slaagden de activisten erin om vanuit de Jong-Vlaamsche Gemeenschap een tweetal politieke partijen op te richten, de Nationalistische Bond van Jan Wannyn, die op papier een 4000 leden telde, en de Vlaamsch-Nationale Partij van Frans Primo, die een gematigder standpunt innam inzake de soevereiniteit van Vlaanderen. In Primo's partij was het socialistische element aanwezig en dacht men ook meer Groot-Nederlands. Wannyns partij had een eigen partijblad De Vlaamsche Smeder en een eigen jeugdorganisatie, de Nationalistische Jonge Wachten. Deze partij beheerste de gemeentepolitiek en de Gouwraad Oost-Vlaanderen. Het Duitse militaire etappebestuur was de Jong-Vlamingen wel genegen. Het Duitse bestuur in Brussel wenste geen activistische bestuurlijke experimenten op lokaal niveau uit vrees voor onlusten en omdat men wist dat de activisten te weinig kaderfiguren hadden.

In Antwerpen bestonden ruim twintig activistische organisaties met ledentallen variërend van enkele tientallen tot meer dan duizend. Vrij groot was het Vlaamsch Verbond (1916) een soort koepelorganisatie die 600 leden telde. Daarnaast kwamen katholieke activisten samen in Per Crucem ad Lucem (Adelfons Henderickx) en liberale activisten in de ook pacifistisch gerichte Voor Vrede en Vrijheid (Leo Augusteyns). Vanwege het ongenoegen over de geringe vredesbereidheid van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), die zich via Emile Vandervelde verbonden had met de Entente-politiek, waren in Antwerpen twee afsplitsingen ontstaan. De eerste, de Vlaamsch Sociaal-Democratische Arbeidersgemeenschap van Jef van Extergem was uitgesproken Vlaamsgezind, activistisch en pacifistisch. Zij rekruteerde vooral onder de Socialistische Jonge Wachten en zou zo'n 3000 leden hebben geteld in Antwerpen-Merksem en omgeving. Daarnaast was er de kleinere zogenaamde Minderheidspartij van Edward Joris. Zij waren vooral omwille van het vredesvraagstuk uit de BWP getreden. Joris nam ook deel aan het vredesoverleg van de Internationale te Stockholm. Te Brussel was er een kleine Vlaamsgezinde en activistische socialistische kern, Nieuw Vlaanderen, geleid door Hendrik Tanrez.

Verder vinden we in de meeste steden de Groeningerwachten. Deze jeugdorganisatie, die zich vooral inzette voor propaganda inzake de Vlaamse taaleisen bestond al voor 1914. Nogal wat jongeren daaruit hadden in 1914 als vrijwilliger dienst genomen in het leger. De achterblijvenden gingen vrijwel allen over naar het activisme. Landelijk vinden we ook de Vlaamsche Voorwachten, een soort paramilitaire organisatie.

In Brussel waren de activisten aanvankelijk verenigd in de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak (november 1914-juni 1916). Naast de reeds genoemde socialistische groepering vinden we de groep Vrij Vlaanderen van Jacob Lambrichts, die uitgesproken katholiek en Jong-Vlaamsgezind was. De activistische vrijzinnigen vonden elkaar in de Vlaamsche Landsbond van Maurits Josson en Frans Reinhard.

Buiten de genoemde activistische organisaties te Gent, Antwerpen en Brussel zijn gelijksoortige, veelal kleinere verenigingen te vinden te Mechelen, Lier, Kortrijk, Brugge, Hasselt en andere steden.

Naast de voor heel Vlaanderen bedoelde Raad van Vlaanderen ontstonden vanaf midden 1917 gouwraden. Op provinciaal niveau dienden zij zich bezig te houden met naleving van de taalwetgeving in onderwijs en gerecht, met de voedselvoorziening en met het benoemingsbeleid in provincie en gemeente. De vertegenwoordigers in de gouwraad kwamen uit de verschillende maatschappelijke lagen of standen. Er waren vier lagen; de intellectuelen en kunstenaars, de handelaren en industriëlen, de werklieden en ten slotte de boeren. De eerste gouwraad kwam in mei 1917 te Oost-Vlaanderen tot stand. Dit was het werk van Wannyn. Limburg sloot de rij in februari 1918. In de periode januari-maart 1918 vonden tegelijk met de verkiezingen voor de nieuwe Raad van Vlaanderen verkiezingen voor de gouwraden plaats. Nu eerst kregen Antwerpen, Brabant en Limburg hun gouwraad. Hun werkperiode is kort geweest, hun belang gering. Van meer belang, ook door haar onmiddellijke betrekkingen met het volk, was Volksopbeuring.

De arts Gustaaf Doussy richtte in september 1914 te Kortrijk Volksopbeuring op met als eerste werkingsgebied Soldatentroost, het zenden van pakketten naar krijgsgevangenen. In oktober 1915 werkte zij al te Gent en in maart 1916 te Antwerpen. Snel verruimde het werkingsgebied en de organisatie, die midden 1917 in het gebied van het Generaal-Gouvernement 38 kantoren had en in het etappegebied 37, kreeg steun uit Nederland. In het Nederlandse steuncomité zaten (slechts korte tijd) Mgr. H. van de Wetering, aartsbisschop, en de politici A.F. de Savornin Lohman (christelijk-historisch) en Theodorus van Welderen Rengers (liberaal). De andere leden waren notabelen, maar brachten volgens Faingnaert niet zo heel veel geld binnen.

In Vlaanderen was het de omvangrijkste activistische organisatie. Zij poogde een tegenwicht te bieden aan het patriottische en Fransgezinde Nationaal Hulp- en Voedingscomité door zelf voedsel en andere producten te koop aan te bieden. De winkels, 63 te Antwerpen, 40 te Mechelen, 54 te Turnhout en 14 te Sint-Niklaas, hadden bovendien een monopolie voor de verkoop van lucifers, zout en een beperkte hoeveelheid tabak. Een monopolie voor de verkoop van verdere levensmiddelen kregen zij niet van de bezetters die onrust vreesden. Volgens de door de Ligue nationale pour l'unité belge in 1928 gepubliceerde gegevens telden de verschillende afdelingen van Volksopbeuring die economische voordelen aanboden 25.000 betalende leden. Naast de levensmiddelenverkoop was er hulp en zorg voor zuigelingen en kinderen, hulp bij werkverschaffing (soms om tewerkstelling in Duitsland te voorkomen), kredietverlening, het "kloefjeswerk" (schoeisel) en hulp aan oorlogsverminkten. Niet onbelangrijk was het werk van de aan Volksopbeuring verbonden Volksontwikkeling, die in verschillende plaatsen lezingen, voordrachts- en zangavonden en voorleesmiddagen voor kleine kinderen organiseerde.

Om het nijpende gebrek aan brandstof te verminderen richtte Leo Meert de Kolenverdeeling voor Vlaanderen in. In 612 gemeenten konden burgers brandstof inkopen. De organisatie was winstgevend, maar zeer afhankelijk van de gunsten van de Duitsers waar het om de toekenning van steenkool ging. De Belgische mijnen wensten niet aan een activistische organisatie te leveren en de Duitsers wilden hun eigen voorraden niet aanspreken.

Al de genoemde verenigingen en stichtingen kregen financiële en materiële steun van het door de Raad van Vlaanderen in augustus 1917 ingestelde Centraal (Vlaamsch) Propagandacomité onder leiding van Faingnaert. De subsidies werden via de Belgische belastingopbrengsten verrekend. Het comité kreeg in november 1917 via het Middencomiteit een centraal bureau met daaronder ressorterend de provinciale comités en de ondercomités in de arrondissementen en kantons. Het propagandabureau verspreidde vele brochures, steunde dagbladen en periodieken en richtte tal van bijeenkomsten in (August Borms was een van de meest optredende sprekers) zelfs met filmvertoningen. Tussen december 1917 en oktober 1918 regelde het Comité 1219 meetings en in de periode januari-september 1918 verscheen er een totale oplage van meer dan 2.500.000 propagandageschriften. Belangrijk was daaronder het elke zondag bij de kerken in een oplage van 25.000 tot 50.000 uitgedeelde geschriftje De Blijde Boodschap. Hierin werd het wekelijkse thema uit het evangelie vervlochten met dagelijkse activistische politieke vraagstukken. Het was een initiatief van de Duitser Konrad Beyerle. Het Centraal (Vlaamsch) Propagandabureau mocht onder Duits toezicht in de Duitse krijgsgevangenkampen, onder andere te Göttingen, propaganda maken, maar de propaganda voor het IJzerfront bleef geheel onder Duitse controle. Het Bureau voerde ook propaganda in Nederland onder de aldaar verblijvende activisten en verzekerde zich daarbij van de hulp van Groot-Nederlanders als Anton van Vessem en Willem van Es. Bladen als De Toorts, Dietsche Stemmen, De Toekomst en De Vlaamsche Stem waren pro-activistisch en pro-Duits. In Vlaanderen kregen dagbladen als Het Vlaamsche Nieuws (Antwerpen, oplage ongeveer 8700), De Gazet van Brussel (oplage 15.000), De Vlaamsche Post (Gent), De Morgenbode (Gent, oplage 80.000), de Nieuwe Gazet van Gent (oplage 3500), De Bode van Limburg (Hasselt, oplage 6000) en De Gazet van Kortrijk (oplage 4000) met nog kleine plaatselijke bladen geldelijke steun. Dat gold ook voor verschillende weekbladen als De Eendracht (Antwerpen), Ons Land (Antwerpen, oplage 2500) en De Vlaamsche Smeder (Gent).

Uiteindelijk kan worden gesteld dat de omvangrijke propaganda in feite weinig succesvol was, want een massale doorbraak van het activisme bleef uit. Bovendien zijn er gegevens die wijzen op een afstuiten van de propaganda op de massa in Vlaanderen en elders. Hoogstens zou men kunnen stellen dat de propaganda de Vlaamse bevolking intens confronteerde met de Nederlandse taal en met gegevens over de toepassing en het feitelijke gebruik van het Nederlands in het maatschappelijk, cultureel en politiek verkeer. Deze werking werd door tegenstanders van de V.B. zeker onderkend.

aanhang, betekenis en waardering

Over de getalsmatige aanhang van het activisme lopen de meningen uiteen. Een probleem is dat exacte, eenvoudig te controleren cijfers ontbreken. Het in de Duitse archieven en in het archief van de Raad van Vlaanderen aanwezige materiaal dient met kritische zin gehanteerd te worden. In deze kringen had men er alle belang bij de cijfers hoog te houden om op successen te kunnen wijzen. Recent onderzoek in het Limburgse heeft echter aangetoond dat de lijsten die de activisten opstelden onbetrouwbaar zijn.

Arthur Faingnaert stelt in zijn Verraad of zelfverdediging? (1933), dat de verkiezingen voor de Raad van Vlaanderen begin 1918 wel meer dan 125.000 stemmen hadden kunnen opleveren, als de Duitsers niet hadden ingegrepen en de verkiezingen hadden afgebroken. Dit is een betwistbaar cijfer, maar in 150 gemeenten waren er geen verkiezingen. Bovendien vonden de verkiezingen plaats op een moment dat de Duitse militaire macht nog niet zichtbaar verminderd was, namelijk vlak voor het grote voorjaarsoffensief. Daarentegen waren er wel verkiezingen in de grote steden, maar nog niet in Limburg, waar het activisme overigens weinig aanhang had. Volgens de Ligue nationale pour l'unité belge, die na de oorlog Les Archives du Conseil de Flandre(1929) publiceerde, telde het activisme slechts 20.000 personen, ongeveer 0,2% van de bevolking.

Voor de verkiezingen van de tweede Raad van Vlaanderen werden ruim 49.000 stemmen (alleen mannenkiesrecht) uitgebracht, volgens de in de Archives gepubliceerde lijsten. De Duitse propaganda ging ook uit van een aanhang van 50.000 personen. Dit cijfer krijgt wat meer betekenis als men het vergelijkt met het totale aantal stemmen dat in 1919 op de Frontpartij, waarin oud-frontsoldaten en activisten vertegenwoordigd waren, werd uitgebracht. Deze partij kreeg in het totaal 60.000 stemmen van uitsluitend mannelijke kiezers. De ruim 125.000 leden van Faingnaerts mag een te optimistisch cijfer zijn en de 20.000 van de Ligue national te minimaliserend, een aanhang van openlijke en verdoken activisten tussen de 50.000 en 70.000 is mogelijk, en daarin zijn de vrouwen niet meegerekend.

Overigens is er geen sprake van een massabeweging en de opmerkingen van de activistische leiders en van de Duitse bezetters dat men te weinig achterban had blijven hun geldigheid behouden. Hoe dan ook is het aantal gerechtelijk gestraften na de oorlog in zeker opzicht gering geweest. In totaal zijn er 268 vonnnissen geveld, waaronder 45 niet voltrokken doodvonnissen. Het aantal naar het buitenland (Nederland en Duitsland) uitgeweken activisten wordt op ruim 500 geschat. Wel werden "vele duizenden", zo stelt Lode Wils in zijn Flamenpolitik en Aktivisme administratief getroffen. Zij werden uit hun rijks-, provinciale of gemeentelijke ambten gezet. Ook in de vrije beroepen vonden soortgelijke zuiveringen plaats (repressie).

Blijft de vraag wie er voor het activisme koos.

Het activisme is vooral een beweging geweest van de generatie die tussen 1880 en 1890 is geboren. Het was de generatie die al wel geprofiteerd had van de gedeeltelijke vernederlandsing van met name het voortgezet onderwijs, maar die in het dagelijks leven echter tegenover een overwegend Franstalige maatschappelijke cultuur stond. Het waren ook jongeren die actief waren in niet partijpolitiek gebonden organisaties als het Algemeen-Nederlands Verbond en het Nationaal Vlaamsch Verbond, in studenten- en oud-studentenverenigingen en in scholierenbonden, waar acties gevoerd werden voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs en een andere taalwetgeving.

Teleurstelling over het geringe resultaat van deze actiegroepen en een mede daardoor in die kringen aanwezig anti-Belgisch radicalisme kunnen de keuze voor het activisme van velen verklaren.

Het Vlaamsgezinde politieke establishment, voorzover het actief was in de landelijke, provinciale of gemeentelijke politiek, heeft zich vrijwel buiten het activisme gehouden. Dat geldt ook voor hen die in het Vlaamse cultuurleven gevestigde posities hadden verworven.

In het activisme was de inbreng van vrijzinnige zijde groter dan die van rooms-katholieke kant. De vrijzinnige intellectuelen speelden een zeer belangrijke rol in tal van V.B.-organisaties. Dat dit zou moeten leiden tot een geringere neiging tot radicalisme aan roomse zijde is betwistbaar. De Frontbeweging was grotendeels in handen van katholieke soldaten en officieren. Bovendien ontbraken de katholieken in het radicale activisme niet. Misschien kozen de vrijzinnigen makkelijker voor het activisme, omdat zij voor 1914 al in een politieke minderheidspositie zaten en omdat in die politieke kringen de afkeer van de traditionele V.B. groter was dan in de katholieke milieus in Vlaanderen. Nogal wat katholieken echter werden over de streep getrokken dankzij Lodewijk Dosfels Katholiek Aktivistisch Verweerschrift, dat gematigd van toon was en zich niet keerde tegen de Belgische staatseenheid. Bovendien, het is al opgemerkt, kozen veel katholieken voor het activisme omdat zij daarin een waarborg zagen tegen de veelal ontkerstenend werkende Franse cultuur.

Opmerkelijk is, en Wils wijst daarop in zijn Flamenpolitik en Aktivisme, dat een aantal vrijzinnige activisten familie- of huwelijksbanden had met Nederland of Duitsland. Het kan een verklaring zijn voor hun geringe loyaliteit aan de Belgische staat.

Niet alleen de relatieve jeugdigheid van de activisten is opmerkelijk. Dat geldt ook voor hun maatschappelijke positie. Velen waren nog maar pas afgestudeerde academici die aan het begin van hun loopbaan stonden. Velen hadden een functie in het onderwijs of oefenden een ambtelijke taak in overheidsdienst uit, waar zij regelmatig met de beperkingen van de taalwetgeving in aanraking kwamen. Vrije beroepen als arts, apotheker, advocaat, kunstenaar, letterkundige en journalist waren eveneens goed vertegenwoordigd. De meeste Vlaamse letterkundigen die in het interbellum en daarna een rol speelden hadden aan het activisme of aan de Frontbeweging meegedaan. Maar ook figuren uit de middenstand en het zakenleven ontbraken niet. Maatschappelijk gezien woog, zoals voor heel de V.B., de intellectuele middenstand het zwaarst.

De betekenis van het activisme is zonder meer groot. Het heeft in ieder geval na de oorlog een gemeenschappelijk politiek optreden van de V.B. onmogelijk gemaakt. Een harde kern van activisten, voornamelijk in Nederland en Duitsland, maar zeker niet afwezig in Vlaanderen, wees de Belgische staat en elk vergelijk daarmee af. Deze groep werd aangevuld met radicale elementen uit de Frontbeweging en wist onder de Vlaamse jongeren en met name aan de universiteiten aanhang te verwerven en beïnvloedde de politici die deel uitmaakten van de Frontpartij door hen aan te zetten tot een compromisloze anti-Belgische politiek. Deze ballingen vonden in Duitsland steun bij revanchistische kringen en in Nederland bij de radicale Groot-Nederlanders in De Dietsche Bond en het Dietsch Studentenverbond. Via de ballingen en de hen steunende organisaties lopen lijnen naar de Vlaams-nationalistische en Groot-Nederlandse en Groot-Duitse collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.

Het activisme heeft al tijdens de Eerste Wereldoorlog een radicaliserende werking op de passivisten (passivisme) uitgeoefend. De al van voor 1914 daterende eisen van het minimumprogramma van het Algemeen Vlaamsch Verbond, waarmee Frans van Cauwelaert en Julius Hoste (jr.) de Godsvrede getrouwe flaminganten wisten te binden, omvatten, op de bestuurlijke scheiding en de daarmee verbonden federalisering na, dezelfde eisen die bij de Frontbeweging en het activisme leefden. De eigen partij van de Fronters en activisten, Het Vlaamsche Front, werkte vooral als een drukkingsgroep tegenover de Vlaamse liberalen, socialisten en katholieken. Niet onbelangrijk was dat de Fronters het activisme en zijn aanhang in de eigen partij accepteerden en integreerden. Dit werkte, zij het achteraf, enigszins als een legitimering van het activisme.

In zijn algemeenheid heeft het activisme de V.B. onmiddellijk na de oorlog negatief beïnvloed en een golf van sterk Fransgezind Belgisch patriottisme opgeroepen. Het versterkte bovendien de Waalse Beweging en het wallingantisme. Maar het is opvallend dat al in 1920 het klimaat in Vlaanderen veranderde en de vonnissen tegen de activisten als onrechtvaardig en te zwaar werden gezien, en de roep om amnestie begon te weerklinken. Dit past ook in de al tijdens de oorlog door vrienden en vijanden van het activisme waargenomen groei van de V.B. Ook in kringen die niet direct voor het activisme hadden gekozen, hebben de daden van het activisme op bestuurlijk vlak en zeker de vernederlandsing van de rijksuniversiteit te Gent samen met de vrij massale propaganda het Vlaamse bewustzijn geïntensiveerd, niet alleen in de steden, maar ook 'op den buiten'. Uiteindelijk hebben activisme en Frontbeweging in het algemeen de V.B. geradicaliseerd en hebben beide bereikt dat vanaf 1918 de Vlaamse problematiek zwaar op de politieke agenda woog.

Literatuur

Rudiger, Flamenpolitik. Suprême espoir allemand de domination en Belgique, 1921; 
Les Archieves du Conseil de Flandre (Raad van Vlaanderen), publiées par La Ligue national pour l'unité belge, 1928; 
A.L. Faingnaert, Verraad of zelfverdediging?, 1933; 
M. Basse, De Vlaamse Beweging 1905-1930, 2 dln., 1933; 
M. van de Velde, Geschiedenis der Jong-Vlaamsche Beweging, 1914-1918, 1941; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse beweging, 1914-19139, I, 1969; 
L. Wils, Flamenpolitik en Aktivisme, 1974; 
R. de Schryver (red.), De Vlaamse Beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Mededelingen van het Colloquium ingericht te Leuven op 15 en 16 november 1974, 1974; 
A.W. Willemsen, 'De Vlaamse beweging, 1914-1940', in Twintig Eeuwen Vlaanderen, V, 1975 ; 
F. Wende, Die belgische Frage in der deutschen Politik des Ersten Weltkrieges, 1969; 
L. Buning, Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, 1976; 
K. de Clerck, Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, 1980; 
L. Schepens, Koning Albert, Ch. de Broqueville en de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1982; 
A. de Bruyne, Lodewijk Dosfel, 1881-1925, 19842; 
K. Hulpiau, René de Clercq, 1877-1932, 1986; 
A. Deprez (red.), Prof. Dr. Willem de Vreese (1869-1938). Een herdenking, 1988; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989); 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
L. Wils, 'De geschiedschrijving van het aktivisme', in WT, jg. 51, nr. 1 (1992), p. 65-83; 
K. van Hoorick, 'Het activisme te Mechelen', in BTNG, jg. 24, (1993), p. 510-527; 
D. Luyckx, 'Ad. Hendrickx en het activisme in Antwerpen', in WT, jg. 53, nr. 1 (1994), p. 21-33 en jg. 55, nr. 2 (1996), p. 91-110; 
D. Vanacker en S. van Clemen, 'Dagboek notities van Josué de Decker (mei 1916)', in WT, jg. 54, nr. 3 (1995), p. 127-149; 
L. Vandeweyer, 'Activisten op veroveringstocht in de administratie. Machtsverwerving in het Ministerie van Financiën', in WT, jg. 55, nr. 1 (1996), p. 29-59; 
id., 'Kiezen tussen Kardinaal en Kaiser. Vlaamse katholieken tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Trajecta, jg. 5, nr. 2 (1996), p. 134-155; 
id., 'Collaboreren en arbeiders deporteren! Dilemma's voor activisten en Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Brood en Rozen, jg. 1, nr. 4 (1996), p. 15-32; 
id., 'Het activisme in Limburg tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Limburg - Het Oude Land van Loon, nrs. 2-3 (1997), p. 97-139 en p. 193-230.

Auteur(s)

Pieter van Hees