Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koninklijke (KANTL)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

ingericht als Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, bij Koninklijk Besluit van 8 juli 1886, was het eerste officiële lichaam, dat in België de belangen van de Nederlandse taal en letterkunde zou behartigen.

Ze publiceert Verslagen en Mededelingen, Jaarboeken, bekroonde werken en andere wetenschappelijke bijdragen. Sinds 18 mei 1892 is de Academie gevestigd in de Koningstraat 18 te Gent. Sedert 1972 (Koninklijk Besluit van 20 april) is de naam Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Een halve eeuw voorgeschiedenis

Op het ogenblik van haar inrichting werd er van Vlaamse zijde al vijftig jaar lang geijverd voor een academie; zo schreef Jan-Baptist David in het "Voorberigt" van de tweede uitgave van zijn Nederduytsche Spraekkunst (1834), dat hij de inrichting van een letterkundig genootschap wenste, dat door het staatsbestuur zou worden georganiseerd "ter beschaving en voltooying onzer schoone moedertael". Jan F. Willems en David trachtten door persoonlijke tussenkomst bij minister B. de Theux eind 1835 en begin 1836 de inrichting van een dergelijk genootschap of academie te verkrijgen, vooral om in Zuid-Nederland tot eenvormigheid in de spelling te komen. Dit leidde tot het ontstaan van de Maetschappy ter bevordering der Nederduitsche Tael- en Letterkunde in 1836 te Brussel, met vertakkingen in verschillende Vlaamse steden. Ze werd financieel gesteund door de regering en wierp zich op als officieuze academie. Namens deze vereniging gaf Willems van 1836 tot aan zijn dood in 1846 het Belgisch Museum uit. In het kader van deze maatschappij begonnen Willems en David met hun spellinghervorming. Op initiatief van De Theux brachten ze eind 1838, begin 1839 het plan voor een Vlaamse Academie opnieuw ter sprake om hun spellinghervorming met meer gezag te kunnen doorzetten en de belangen van de Nederlandse taal op ruimer terrein te behartigen. In het ontwerp van reglement voor een academie, dat in 1838 namens Willems en David aan De Theux werd aangeboden, lezen we bijvoorbeeld in artikel 4 dat tot de werkzaamheden van de leden zouden behoren: het vaststellen van de regels van de spraakkunst, het opmaken van een woordenboek van de "Nederduytsche" taal en de uitgave van boeken voor onderwijs en opvoeding. Het plan is niet doorgegaan, omdat De Theux zwichtte voor tegenstand binnen de Brusselse Académie royale. Bovendien viel zijn regering enkele maanden later.

Toen de onderhandelingen met de regering-de Theux mislukten, werden tegelijk te Gent, te Leuven en te Antwerpen plannen gemaakt om de V.B. door een beroep op de openbare mening op het politieke terrein te brengen. De eerste stap daartoe was het groot Vlaams petitionnement dat op initiatief van Ferdinand A. Snellaert in 1840 aan de Kamer werd aangeboden. Naast maatregelen ten voordele van het Nederlands in de administratie, het gerecht en aan de universiteiten, werd in de Gentse en de Leuvense versie de inrichting gevraagd van een 'Vlaemsche' academie of van een 'Vlaemsche' afdeling bij de Brusselse Académie royale tot aanmoediging van de 'Nederduytsche' letterkunde. In de Antwerpse tekst was de eis voor een Academie niet opgenomen. De Antwerpse flaminganten waren bang dat Willems' opvattingen daarin al te zeer zouden doorwegen. Het petitionnement had echter geen wetgevende of ministeriële initiatieven tot gevolg. Wel zou Charles Rogier in 1841 het plan hebben gekoesterd een Vlaamse Academie in te richten, maar dit is om onbekende redenen niet doorgegaan.

Bij gebrek aan een academie hebben Willems en David de spellingeenheid door middel van een consensus bewerkt. Deze werd al gedeeltelijk verkregen op het Taelcongres van 23 oktober 1841 te Gent en bevestigd op 11 februari 1844 te Brussel, toen driehonderd schrijvers, onderwijzers en afgevaardigden van maatschappijen zich ertoe verbonden de nieuwe spelling te gebruiken.

Volgens de opvatting van David moest een academie bovendien de letterkunde stimuleren en in goede banen houden. Daarom wilde het Leuvense studentengenootschap Met Tijd en Vlijt de kwestie van de academie als belangrijkste punt plaatsen op het programma van de bijeenkomst van 11 februari 1844 te Brussel. Maar de Antwerpse schrijvers wilden toen, evenmin als in 1840 horen van een academie die hun artistieke richtlijnen zou geven. In plaats daarvan werd besloten een federatie te vormen van Vlaamse letterkundige maatschappijen onder de naam Vlaemsch Taelverbond, om de nationale letterkunde door samenwerking te bevorderen. Deze federatie werd pas in 1848 werkelijkheid als Nederduitsch Taelverbond.

Bij de reorganisatie van de Académie royale, bij Koninklijk Besluit van 1 december 1845, werd door minister Sylvain van de Weyer ook een aantal maatregelen genomen om het aandeel van de Vlaamse en Franstalige literatoren in deze instelling te vergroten. Zo werd onder meer de Klasse der Letteren gesplitst in een afdeling voor morele en politieke wetenschappen en een voor geschiedenis en letteren. De bedoeling was in deze laatste een aantal plaatsen voor te behouden voor Vlaamse en Franstalige letterkundigen. Van de Weyer motiveerde de opneming van literatoren die in het Nederlands hadden gepubliceerd, door erop te wijzen dat de bloei van de Vlaamse letterkunde gedurende de laatste vijftien jaar dit wenselijk maakte.

Belangrijk was dat in het kader van deze hervormingen aan de Académie royale een aantal nieuwe taken werd toevertrouwd, waartoe vaste commissies werden ingericht. Aldus kwamen onder meer tot stand een Commission permanente chargée de la publication d'une collection des grands écrivains du pays en een Commission permanente chargée de la publication des anciens monuments de la littérature flamande, die beide een reeks middeleeuwse letterkundige en historische tekstuitgaven op touw zetten. De laatste Commission werd ingericht op 10 januari 1848, maar het zou tot het jaar 1854 duren eer ze over behoorlijke kredieten kon beschikken. Dankzij de eruditie van Jan H. Bormans en David en de energie van Snellaert heeft ze verdienstelijk werk geleverd door een begin te maken met de uitgave van Jacob van Maerlants werken. Na het overlijden van Bormans en David verminderde de activiteit van de commissie gevoelig om na de dood van Snellaert volledig weg te kwijnen. Immers, na het verdwijnen van deze eerste generatie filologen beschikte Vlaanderen niet over jonge krachten, terwijl in Nederland door Matthias de Vries en Willem J. Jonckbloet de Nederlandse filologie werd vernieuwd en een school van middelneerlandici werd gevormd.

Na het petitionnement van 1840 werd de kwestie van de Vlaamse Academie een regelmatig weerkerend punt in de reeksen verzoekschriften die van 1840 tot 1857 naar het parlement werden gestuurd. Dezelfde eis vinden we terug in het uitvoerig en goed gedocumenteerd verslag van de Grievencommissie, die op 27 juni 1856 door Pierre de Decker was ingesteld. De opstellers hiervan oordeelden dat de academies samen met de universiteiten de weerspiegeling moesten zijn van de stand van de wetenschappen, letteren en kunsten van de natie. De Commissie stelde de – gezien de toenmalige taalverhoudingen – verregaande eis "dat er bij de thans bestaende koninklijke akademie eene nederduitsche afdeeling zal worden gevoegd, die in alles dezelfde regten genieten zal als de andere klassen, en wier werkzaemheden gelijk zullen zijn aen degene, waer de klas van wijsbegeerte en letteren zich aen toewijdt". Daarbij vroeg de Commissie dat voortaan de prijsvragen van de Académie royale de Médecine ook in het Nederlands mochten worden beantwoord. In het tegenverslag, dat Rogier in 1859 liet opstellen, werd deze eis van een Vlaamse Academie als ongegrond afgewezen. Volgens Rogier zetelden er sinds de reorganisatie in de Académie royale immers meer personen uit Vlaamse provincies en uit Brussel dan uit de Waalse gewesten. Wel werd door Rogier in 1859 in de afdeling Kunsten en Letteren van binnenlandse zaken een Vlaamsch Bureau ingericht, dat de belangen behartigde van de Vlaamse letterkunde, onder andere de toekenning van prijzen, premies en subsidies.

Maar de onmacht van de Vlamingen in de Académie royale bleef een reden tot ontevredenheid in Vlaamse kringen. In een uitvoerige lezing voor de Gentse maatschappij De Tael is gan(t)sch het Volk bood Julius Vuylsteke in 1866 een overzicht van de situatie. Hij gaf toe dat het onmogelijk was een volledig Vlaams academiewezen op te zetten, zolang er geen hoger onderwijs in het Nederlands bestond. Hij meende daarom dat de eis van de Grievencommissie voorbarig was en pleitte voor de inrichting van twee afzonderlijke academies: een voor Nederlandse en een voor Franse taal- en letterkunde, omdat in de toenmalige structuur van de Académie royale zowel de Nederlandse als de Franse taal- en letterkunde niet voldoende aan hun trekken kwamen.

Ondertussen groeide in het kader van de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen de gedachte aan een academie die het hele Nederlandse taalgebied zou omvatten. Al in 1849, onmiddellijk na het eerste congres, stelde Jozef A. Alberdingk Thijm aan Snellaert voor, een Nederlandsch Letterkundig Instituut op te richten met "(...) de hoofdburelen te Amsterdam en te Gent". Gelijksoortige ideeën werden naar voren gebracht op de congressen te 's-Hertogenbosch in 1860 en te Rotterdam in 1865. Te Leuven stelden de priesters-filologen Jan F. Hendrickx en Theophiel Roucourt in 1869 een Noord-Zuid-academie voor naar Frans model, als praktisch middel om tot een grotere eenheid van spelling te komen en om aan betwistbare taalkwesties een behoorlijke oplossing te geven. De academie zou twintig Noord- en twintig Zuidnederlandse leden tellen en de verschillende steden en gewesten zouden er zoveel mogelijk in vertegenwoordigd zijn. Ze zou geen staatsinstelling worden maar: "Hare samenstelling en haar gezag zouden, door het Congres, als van het volk zelf uitgaan." Uit dit voorstel ontstond de Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde, die nu nog bestaat onder de naam Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis.

Volgens mededelingen van tijdgenoten, die niet nader kunnen worden gecontroleerd, dacht minister Gustave Rolin-Jaequemyns erover, tijdens de regering van Walthère Frère-Orban (1878-1884), een algemeen Nederlandse of een Vlaamse Academie in te richten. Maar August Beernaert, die in november 1884 hoofd van de katholieke regering werd, nam de zaak van de Vlaamse Academie opnieuw ter hand. Zijn eerste plan volgde de wensen van de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen. Het wilde deze Congressen een meer officieel en regelmatig karakter verlenen. Vermoedelijk heeft Désiré Delcroix hierbij invloed uitgeoefend. Van 1859 tot 1887 was hij hoofd van het Vlaamsch Bureau. Uit verscheidene van zijn initiatieven blijkt een algemeen Nederlandse bezorgheid. Op zijn aandringen werd door minister Jules Vandenpeereboom de Commissie ingesteld die in 1864 de spelling-De Vries en Te Winkel officieel maakte. Delcroix trad actief op om subsidies voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal te verkrijgen. Van 1860 tot 1887, behalve voor de periode 1878-1884, vertegenwoordigde hij de regering bij de Nederlandse congressen. Een van zijn voornaamste doelen was de verwezenlijking van een academie. Tijdens de onderhandelingen met Nederland werd hij als propagandist en observator uitgezonden. Het Internationaal Instituut voor Nederlandsche Letteren zou bestaan uit twee klassen van 20 leden elk, met zetels te Gent en te Leiden. Het zou zich bekommeren om filologische en letterkundige problemen. Een jaarlijkse vergadering van de twee klassen, om de beurt in België en Nederland gedurende maximaal drie dagen, was voorzien. De Nederlandse regering volgde het advies van de Klasse der Letteren van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, die de voorkeur gaf aan een beperkt overlegorgaan. Van Belgische zijde ging men dan over tot de inrichting van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Van de inrichting (1886) tot heden

Bij haar inrichting in 1886 telde de Academie 25 gewone leden, van wie er 5 gekozen mochten worden uit Nederlanders die in België resideerden. Daarbij 10 corresponderende leden en een onbeperkt aantal binnen- en buitenlandse ereleden. Bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1930 werd het aantal gebracht op 30 gewone leden. In 1938 werd de titel 'corresponderend lid' afgeschaft. Het bestuur van de Academie bestaat uit een voorzitter en ondervoorzitter, die jaarlijks worden gekozen, en een vaste secretaris. Naar aanleiding van de eerste achttien benoemingen en de daaropvolgende aanvullende ledenkeuze ontstonden er wrijvingen tussen katholieken en liberalen en tussen de Vlaamsgezinde liberalen onderling. Omdat zij van oordeel waren dat hun politieke gezindheid ondervertegenwoordigd was, namen Max Rooses, Jan van Beers en Domien Sleeckx ontslag.

Deze moeilijkheden hadden tot gevolg dat de meerderheid van het Vlaamse liberalisme en van het liberalisme in zijn geheel zich tegenover de Academie opstelde. Dit gebeurde aanvankelijk in het Taalverbond, een vereniging die zich gedurende enkele jaren opwierp als een vrije academie. Het Gentse liberale weekblad Het Volksbelang zou de tolk van deze oppositie blijven. Belangrijk was dat er aldus aanvankelijk een kloof ontstond tussen de Academie en de Gentse universitaire wereld, waar de invloed van de liberalen aanzienlijk was. In het bijzonder tussen de Academie en de Hogere Normaalschool, die in 1890 bij de reorganisatie van het universitair onderwijs, als afdeling Germaanse filologie in de faculteit van de letteren en wijsbegeerte opgenomen werd. Daar doceerden Paul Fredericq en Jozef-Frederik Vercoullie. Vooral deze laatste vormde een aantal leerlingen die als professoren in de neerlandistiek aan de vier Belgische universiteiten grote invloed zouden uitoefenen: Willem de Vreese te Gent, Lodewijk Scharpé te Leuven, J. Mansion en René Verdeyen te Luik en G. Duflou te Brussel. De Academie kreeg wel de medewerking van een aantal liberale Vlamingen, die in dit geval hun Vlaamsgezindheid lieten primeren op de partijtucht. Sommigen onder hen, als Theophiel Coopman, De Vreese en Julius Mac Leod, zouden zelfs het belangrijkste aandeel in de activiteit van het genootschap voor hun rekening nemen. Een grote aanmoediging voor de Academie betekende ook het feit dat Matthias de Vries in 1887 het buitenlands erelidmaatschap aanvaardde.

De ledenbezetting van de Academie vertoonde bij haar inrichting een gevarieerd karakter. Enkelen stonden op internationaal niveau. Zo bijvoorbeeld Pieter Willems, classicus en hoogleraar te Leuven, en de bibliothecaris van de Gentse universiteit Ferdinand vander Haeghen. Behalve een paar archivarissen, werd de rest van de zetels ingenomen door leden die naast hun beroepsbezigheden de letterkunde beoefenden of die zich door zelfstudie in de Nederlandse taalkunde of in de geschiedenis hadden bekwaamd. Dit kon ook moeilijk anders. Pas door de wet van 1890, die het universitair onderwijs reorganiseerde, werd de mogelijkheid geschapen een doctoraat te behalen in de Germaanse en in de Romaanse filologie naar het voorbeeld van Frankrijk en Duitsland. Het is de verdienste van De Vreese de brug te hebben geslagen tussen de Academie en de universitair gevormde germanisten van de Gentse school. Naarmate de gevolgen van de hervorming van het universitair onderwijs zich lieten gevoelen, zouden ook meer en meer universitair geschoolden in de Academie zetelen.

Het gevarieerde karakter van de ledenbezetting en de situatie van het Nederlands in de Belgische staat verklaren, waarom de Academie, naast de beoefening van de taalwetenschap en haar bemoeiingen met de literatuur, ook op meer algemene wijze de emancipatie van de Nederlandse taal en van het Vlaamse geestesleven heeft willen bevorderen. In dat perspectief moet ook gezien worden: haar voortdurende zorg om haar werkterrein uit te breiden en het feit dat ze steun verleende aan de politieke actie voor taalwetten. De actie voor de emancipatie van het Nederlands en van het Vlaamse geestesleven werd vooral gevoerd door Coopman en de eerste vaste secretaris Frans de Potter. Voor De Potter betekende dit in het bijzonder: op bio- en bibliografisch gebied de leemten aanvullen van de officiële Franstalige publicaties en van die van de Académie royale. Voor Coopman: praktische taalzorg, vernederlandsing van het openbaar leven in het raam van de taalwetten, het stimuleren van de letterkunde, het onderwijs en daarbij de studie van de V.B. Dit verklaart waarom aan de Bestendige Commissie voor Middelnederlandse Letteren op 15 mei 1889 twee nieuwe commissies werden toegevoegd, namelijk de Commissie voor Geschiedenis, Bio- en Bibliografie en de Commissie voor Nieuwere Taal en Letteren, waarvan Coopman de secretaris en de bezieler was. Op 1 augustus 1900 werd daarbij nog de Commissie voor Onderwijs in en door het Nederlands ingericht. Deze vier commissies bestaan heden nog met aan de gewijzigde omstandigheden aangepaste taakgebieden en namen: Commissie voor Oudere Taal- en Letterkunde, voor Moderne Letteren, voor Cultuurgeschiedenis en voor Moderne Taal.

In haar streven om te bewijzen dat het Nederlands als volwaardige cultuurtaal naast het Frans kon staan, legde de Academie in haar aanvangsperiode, onder invloed van Coopman en van de Commissie voor Nieuwere Taal en Letteren, vooral de nadruk op de eenheid van de Nederlandse taal. Maar daarbij verdedigde ze, volgens de opvattingen van die tijd, de rechten van het Zuid-Nederlands taalgoed in dit algemeen Nederlands. Ze wilde daarbij het midden houden tussen 'neerlandisme' en 'particularisme'. Deze houding verklaart verscheidene van haar stellingnamen en initiatieven, onder andere toen ze in 1895 de wens uitdrukte dat de term 'Nederlandse Taal' de officiële benaming zou worden om onze taal aan te duiden en haar afwijzing van het stelsel-Kollewijn wegens het overwegend Noord-Nederlands karakter van deze hervormingsbeweging en wegens het gevaar van een nieuwe spellingoorlog. Deze houding was er mede de oorzaak van, dat Guido Gezelle in 1896 de vijfjaarlijkse prijs voor Nederlandse letterkunde niet kreeg, vanwege zijn overwegend gewestelijk taalgebruik. Als belangrijkste resultaat van de actie voor de rechten van het Zuid-Nederlands kan hier worden vermeld dat Gezelle zijn lexicografisch materiaal ten dienste stelde van het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Onder invloed van De Vreese zouden de moderne taalopvattingen in de Academie doordringen. Samen met Carolus Lecoutere en Leo Goemans wist hij te verhinderen dat de Academie zich tegenover de universiteiten zou opstellen door in bepaalde kwesties, als bijvoorbeeld de beschaafde uitspraak, een verouderd standpunt in te nemen, dat door Jakob Muyldermans werd verdedigd. De praktische taalzorg zou zich mettertijd situeren in het ruime kader van de belangstelling voor het onderwijs, vooral voor het middelbaar en het lager onderwijs. Met de publicatie van De Vreeses werk over de gallicismen heeft de Academie grote invloed uitgeoefend op het taalonderwijs. Werkelijke bevoegdheid in onderwijszaken heeft ze niet kunnen verkrijgen. Maar ze heeft een rol gespeeld door aan de handelingen van haar Commissie voor Onderwijs een ruimere verspreiding te geven. Voorts, door in principiële stellingnamen en in publicaties de pedagogische waarde van het onderwijs in het Nederlands in het licht te stellen en door te ijveren voor een betere taalkennis bij de leerkrachten. Haar wensen zette ze kracht bij door zich tot de bevoegde ministeries te wenden.

Bovendien heeft de Academie de mogelijkheid van een volledig hoger onderwijs in het Nederlands willen aantonen door aan de wetenschapsmensen die een universitaire vorming hadden gekregen, de gelegenheid te geven om in 't Nederlands te publiceren. Daarbij richtte ze haar aandacht vooral op de sleutelsector van de natuurwetenschappen. De opneming van Mac Leod als lid moet in dat perspectief worden gezien. Het Vandeven-Heremansfonds bood haar, van 1905 af, de mogelijkheid de groeiende Vlaamse natuur-, geneeskundige en rechtswetenschap te erkennen en aan te moedigen. Op aandringen van Mac Leod stelde ze haar Verslagen en Mededelingen open voor natuurwetenschappelijke publicaties. Dankzij de medewerking van een aantal Vlaamsgezinde wetenschapsmensen, zoals A.J.J. van de Velde, kon ze op dit gebied enkele resultaten voorleggen die op internationaal peil stonden.

Op het terrein van de letterkunde heeft de Academie een leidende rol willen spelen door haar kritiek bij de beoordeling van de van staatswege uitgeschreven prijsvragen voor literatuur. Die rol heeft ze niet kunnen vervullen, doordat haar leden de literaire opvattingen van een vroegere periode handhaafden en vooral de nadruk legden op het nationaal gevoel en de opvoedende waarde. Hierdoor kwam ze tegenover de progressieve literaire wereld te staan. Met de bekroning van Stijn Streuvels in 1905 en met zijn toelating als lid in 1907 vond de Academie geleidelijk aansluiting bij de moderne stromingen in de Vlaamse letterkunde.

Na 1900 verwierf de Academie internationale erkenning in de persoon van De Vreese. In haar opdracht werkte deze aan zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, waarmee hij grote waardering oogstte bij filologen en historici in Nederland en Duitsland. Door een reglementsherziening trachtte hij de Academie middelen aan de hand te doen om actiever in te grijpen in het wetenschapsbedrijf. Tegelijkertijd stuurde hij aan op samenwerking met buitenlandse genootschappen, vooral met de Nederlandse. Van de verwezenlijking van deze laatste plannen is echter niets terechtgekomen, ook wegens het voortdurende gebrek aan financiële middelen van de Academie. Zo vertoonde de Vlaamse Academie aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een eigen fysionomie. Opgericht als Academie voor Taal- en Letterkunde evolueerde ze ook in de richting van een academie voor wetenschappen en voor onderwijs, omdat ze wilde beantwoorden aan de behoeften van de V.B. Tot aan de inrichting van de overige Vlaamse Academies in 1938 zou ze ernaar streven de Vlaamse wetenschap in haar geheel en de V.B. onderdak te verlenen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam het hof van beroep, dat uit het Paleis van Justitie was verdreven, zijn intrek in het gebouw van de Academie. De Academie zelf staakte haar activiteiten als protest tegen de bezetter. Op 9 februari 1918 sloot het Bestuur van de Academie (Amaat Joos, Napoleon de Pauw en Edward Gailliard) zich aan bij de protesten tegen de Raad van Vlaanderen, die uit België aan de Duitse rijkskanselier werden gericht.

Na de Eerste Wereldoorlog werden de leden uitgesloten die deel hadden uitgemaakt van de Raad van Vlaanderen of die aan de vernederlandste universiteit te Gent hadden gedoceerd. Dat waren: Julius Obrie, De Vreese, Paul Bellefroid, Eugeen van Oye en de corresponderende leden: Hippoliet Haerynck, Raphaël van den Berghe, Edmond Fabri en Lodewijk Dosfel. De verwijdering van De Vreese betekende een gevoelig verlies, want vóór de oorlog was hij verreweg haar meest bekwame lid en haar schakel met de Nederlandse filologische kringen. Tot de nieuwe leden die hun intrede deden in 1919 behoorden onder anderen Vercoullie, August Vermeylen, Mgr. Martinus-Hubertus Rutten, bisschop van Luik, en de dames Virginie Loveling en Maria Belpaire.

Als Vlaamse Academie bleef de instelling tussen de beide wereldoorlogen aandacht besteden aan de problemen van de Vlaamse taalstrijd. Zo onder meer: de vernederlandsing van het hoger en het middelbaar onderwijs, de toepassing van de taalwetten in het gebied van de taalgrens en in Brussel en de kwestie van de historische tweetaligheid van Vlaanderen. Zo besloot ze op 21 april 1920, op initiatief van professor De Ceuleneer, aan Kamer en Senaat de wens kenbaar te maken tot vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Zij werkte ook actief mee aan het totstandkomen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België (Koninklijk Besluit van 16 maart 1938) en van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België (Koninklijk Besluit van 7 november 1938). De Academie werd, zoals geheel het Vlaamse cultuurleven, getroffen door de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Met als gevolg de intrede van een nieuwe generatie die haar stempel heeft gedrukt op de Academie in de jaren 1950 en 1960.

Sedert de inrichting van de overige Vlaamse academies in 1938 beperkte de activiteit van de Academie zich tot het eigenlijke domein van de taal- en letterkunde. Maar ze bleef openstaan voor de politieke Vlaamse actualiteit. Hiervan getuigt onder meer het feit dat ze zich in 1962 aansloot bij de open brief die door haar leden Streuvels en Herman Teirlinck over de onschendbaarheid van de taalgebieden werd gericht tot de eerste minister. Dit naar aanleiding van de aanstaande wetgeving in verband met het vastleggen van de taalgrens.

Behalve de gewone werkzaamheden van de Academie kunnen hier nog enkele bijzondere initiatieven worden vermeld. Op initiatief van Maurits Sabbe en op voorstel van de Academie werd in 1935 van Belgische zijde de financiering van het Woordenboek der Nederlandsche Taal hervat en werden er opnieuw Vlaamse medewerkers aan de redactie verbonden. In samenwerking met de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden werd de Bibliotheek der Nederlandse Letterkunde opgezet, waarin van 1939 af een aantal bekende werken uit de Nederlandse Letterkunde werd uitgegeven. Sedert 1947 (Koninklijk Besluit van 31 december) is het beheer van het Nationaal Fonds voor Letterkunde toevertrouwd aan de Academie, samen met haar Franstalige tegenhangster, de Académie de langue et de littérature françaises.

Het decreet van 13 februari 1980 betreffende de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde bevestigde de Academie als raadgevend lichaam en als trefpunt van samenwerking voor de beoefenaars van de Nederlandse taal- en letterkunde. Het decreet bepaalde eveneens dat de Academie bestaat uit dertig gewone leden; binnenlandse ereleden in onbepaald aantal; ten hoogste vijfentwintig buitenlandse ereleden en ten hoogste vijf buitengewone leden, die behoren tot een andere cultuurgemeenschap in België en die zich hebben verdienstelijk gemaakt voor de Nederlandse taal- en letterkunde.

De namen van de leden van de Academie kan men vinden in de Jaarboeken.

Literatuur

Verslagen en Mededelingen en Jaarboek van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1887-1971); Verslagen en Mededelingen en Jaarboek van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1972-); 
Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde. Gedenkboek van haar 50-jarig Jubileum 1886-1936, z.j.; 
Koninklijke Vlaamsche Academie. Gedenkboek van de feestviering van haar 25-jarig bestaan 1886-1911, 1911; 
I. de Vreese en J. van Straelen, Register van de Bijdragen, Lezingen, Verslagen, enz. verschenen in de Jaarboeken en in de Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie 1887-1926, 1927; 
W. Rombauts, De Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1886-1914). Haar geschiedenis en haar rol in het Vlaamse cultuurleven, 2 dln., 1979-1981; 
M. Hoebeke, 'De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Een blik op het verleden en in de toekomst', in De weg naar eigen Academiën. Acta van het Colloquium der Koninklijke Academiën van België. Brussel, 18-20 november 1982, 1983, p. 321-330; 
W. Rombauts, 'De Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde: ontstaan en ontwikkeling tot 1939', in De weg naar eigen Academiën. Acta van het Colloquium der Koninklijke Academiën van België. Brussel, 18-20 november 1982, 1983, p. 247-286; 
J. Verhaeghe, 'De oprichting van de Vlaamse Academiën voor wetenschappen en voor geneeskunde in 1938', in De weg naar eigen Academiën. Acta van het Colloquium der Koninklijke Academiën van België. Brussel, 18-20 november 1982, 1983, p. 287-317; 
W. Rombauts en M. Hoebeke, De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1886-1986), 1986; 
Gedenkboek van de eeuwfeestviering 1886-1986, 1988.

Auteur(s)

Wouter Rombauts