't Zal wel gaan

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

"Taalminnend Studentengenootschap", Gentse Vlaamsgezinde en vrijzinnige studentenvereniging.

Op 21 februari 1852 werd in de poësisklas van het Gentse atheneum aan de Ottogracht door drie leerlingen, Julius Vuylsteke, Victor van Wilder en Isidoor Haemelinck, een Vlaamse kring opgericht met als kenspreuk "'t Zal wel gaan". Mentor was hun leraar Jacob F. Heremans, die als medestichter van het één jaar eerder opgerichte Willemsfonds een spilfiguur was van een nieuwe Vlaamsgezinde politieke generatie. Centraal in de doelstelling van de vereniging stond "de beoefening van de Nederduitsche taal en letterkunde en het bevorderen van de Vlaamsche zaak".

In 1854 kwam het initiatief samen met de overblijvende stichter Vuylsteke mee naar de Gentse universiteit en op 11 maart 1854 werd 't Zal wel gaan een Taalminnend Studentengenootschap waarvan alleen studenten lid konden worden. Hiermee was 't Zal de eerste Vlaams-strijdende vereniging aan de Gentse Rijksuniversiteit en is het heden de oudste nog bestaande studentenvereniging in Vlaanderen.

't Zal kende een zeer sterke start, mede als gevolg van het aansluiten van een aantal jonge letterkundigen zoals Vuylsteke, Emiel Moyson, Karel Versnaeyen en Tony Bergmann. Er werd besloten een almanak alsook een bundel getiteld Noord en Zuid uit te geven. Al snel bleek dat de 't Zallers in hun geschriften naast hun taalminnend streven ook sterk uiting gaven aan hun ontevredenheid ten aanzien van een aantal maatschappelijke en levensbeschouwelijke processen. Voor hen was duidelijk dat de ontvoogding van de Vlaamse bevolking en cultuur werd afgeremd door de dominantie van de franskiljons en door de intolerantie van de kerk. De meest radicalen binnen 't Zal begrepen al snel dat de Vlaamse ontvoogding verder moest gaan dan een louter literaire emanciperende stuwing, maar dat de Vlaamse strijd en de sociale strijd één gegeven waren. Deze Montagnards, met Moyson en Adolf Dufranne op kop, speelden dan ook een vooraanstaande rol bij het ontstaan van de eerste Gentse vakorganisaties, de Broederlijke Wevers en de Noodlijdende Broeders. Na een aantal incidenten met de universitaire overheden en na scherpe aanvallen vanwege de bisschop van Gent werd een conflict onvermijdelijk. Die tegenstand nam overwachte vormen aan, zodanig zelfs dat in 1857 de pauselijke banvloek werd uitgesproken over Noord en Zuid en op de leden zodanige druk werd uitgeoefend dat de vereniging langzaam begon te kwijnen. De uitgave van de bundel Noord en Zuid II was eigenlijk een éénmansinitiatief van Moyson en kon enkel verschijnen dankzij de hulp van de Brusselse zustervereniging Schild en Vriend. Op 19 februari 1859 werd zelfs besloten tot de ontbinding van 't Zal. Niet voor lang echter, want een nieuwe studentengeneratie richtte de vereniging weer op. 't Zal was, zoals het heette, "als een feniks uit zijn assche verrezen", iets wat tijdens de geschiedenis van de vereniging zich nog diverse malen zou herhalen.

Het nieuwe 't Zal zou niet alleen een voorhoederol spelen in de Vlaamse strijd, maar het zou tevens steeds nauwere banden gaan onderhouden met het georganiseerde liberalisme. De link tussen het flamingantisme en het vroeg-socialisme was hiermee definitief verbroken en de vereniging zou zich perfect inpassen in de strijd tussen liberalen en katholieken. De rond 1860 door hun stichter Vuylsteke gelanceerde leuze "Klauwaard en Geus", die de kernachtige uitdrukking vormde van een volgens hem onafscheidbare band tussen Vlaamsgezindheid en vrijzinnigheid en een tegengewicht moest vormen voor het verengd flamingantisme, werd dan ook de strijdkreet van 't Zal. De vereniging had vooral een zeer nauwe binding met het Willemsfonds, dat onder invloed van Vuylsteke vanaf 1861 evolueerde van een neutrale naar een vrijzinnig-liberale organisatie. Naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van 't Zal werd die politieke binding expliciet in de nieuwe statuten vermeld: "Het Taalminnend Studentengenootschap stelt zich ten doel de beoefening van de Nederlandsche taal- en Letterkunde en het bevorderen van de Vlaamsche, liberale zaak."

In de jaren 1870 kende de vereniging een periode van hoogconjunctuur met een sterke toename van het ledenaantal en een hoge mate van combattiviteit. Hieraan waren een aantal maatschappelijke gebeurtenissen niet vreemd. Onder druk van de radicaal-liberalen werd een anti-klerikaal offensief ingezet dat zou uitmonden in de schoolstrijd van 1878. Het was ook de periode van de eerste taalwetten en het werd duidelijk dat de V.B. bipolariseerde naar een vrijzinnig en een katholiek kamp.

In 1883 had een betekenisvol incident plaats. In dat jaar zou de universiteit een studentenfeest organiseren en het daartoe samengestelde comité van verschillende verenigingen weigerde, na veel palavers, in te gaan op het voorstel van 't Zal om alle documenten ook in het Nederlands op te stellen. Die als l'incident flamingo-wallon bekend geworden gebeurtenis had alvast tot gevolg dat veel studenten de rijen van 't Zal kwamen versterken, zodat een indrukwekkkende culturele en politieke activiteit werd ontplooid. Zo speelde 't Zal een vooraanstaande rol in de organisatie van de algemene Vlaamse studentencongressen, waarvan het eerste plaats vond in 1899, in het Algemeen-Nederlands Verbond en in de organisatie van Hooger Onderwijs voor het Volk, dat in 1892 op initiatief van de 't Zaller Pieter Tack in Gent van start was gegaan.

Een bijkomende ondersteuning voor 't Zal was de oprichting in 1885, naar aanleiding van de jubelfeesten van de 25ste Studentenalmanak, van een Bond der Oud-leden. Het initiatief ging uit van Paul Fredericq, die de leerstoel Nederlandse letterkunde van de één jaar vroeger overleden Heremans had overgenomen, en kreeg de geestdriftige steun van onder andere Vuylsteke, Leo Baekelandt, Julius de Vigne, Prosper Claeys en Julius Mac Leod. De Bond der Oud-leden speelde niet alleen een voorname rol op zichzelf als Vlaams-liberale drukkingsgroep, maar hij oefende vaak ook een beslissende invloed uit op de stellingen die in het studentenmilieu werden ingenomen. Vanaf zijn ontstaan hield de oudledenbond sterk de hand aan deze voor hem onverbrekelijke gelijkstelling: geus=liberaal. Aanvankelijk stelde dit geen probleem, maar toen later de vrijzinnigen niet enkel meer liberaal maar ook socialistisch waren en die evolutie ook in 't Zal tot uiting kwam, voelden deze laatsten er uiteraard niet zoveel voor de "Vlaamsche liberale zaak" te bevorderen, zoals artikel 1 van de statuten van 't Zal uit 1878 dit vereiste.

Vanaf 1890 klonk de eis tot de oprichting van een Nederlandstalige universiteit, of de vernederlandsing van de Gentse universiteit, steeds luider. Het eerste praktische gevolg daarvan was de instelling in 1896 van de eerste Vlaamse hogeschoolcommissie, waarvoor Mac Leod als verslaggever werd aangeduid. Kort daarvoor had 't Zal een "referendum der intellectuelen" georganiseerd waarbij aan een aantal prominenten naar hun opinie in verband met de vernederlandsing van de universiteit werd gevraagd. Een meerderheid van de ondervraagden sprak zich uit voor een trapsgewijze vernederlandsing van de vier faculteiten van de Gentse universiteit, zoals voorgesteld door Mac Leod. Dit referendum zou de aanleiding geven tot een eerste scherpe tegenstelling binnen 't Zal waar de groep rond Fredericq het voorstel-Mac Leod als onrealistisch bestempelde en opteerde voor een minder radicale oplossing via een geleidelijke tweetalige omvorming van de Gentse universiteit. Deze zogenaamde 'strijd der stelsels' die woedde van 1897 tot 1907 en in 1908 resulteerde in het stelsel-Lodewijk de Raet, dat in feite een verbeterde trapsgewijze vervlaamsing van de Gentse universiteit inhield, maakte de tweespalt die nu bestond tussen de begrippen "Klauwaard en Geus" duidelijk zichtbaar binnen 't Zal. Een nieuw incident ontstond met als rechtstreekse aanleiding de Kamerverkiezingen van 1904. Wellicht onder de invloed van Mac Leod stelden een aantal 't Zallers voor bij de Kamerverkiezingen van 1904 steun te verlenen aan de Vlaamsgezinde priester Florimond-Alphonse Fonteyne, een daensist. Zij gingen daarbij uit van de vaststelling dat noch de liberale noch de socialistische partij de vernederlandsing van de universiteit erg genegen waren. Hun standpunt werd met een nipte meerderheid verworpen, wat enkelen onder hen niet belette toch hun zin te doen. Toen na afloop van de verkiezingen 't Zal besliste deel te nemen aan de viering van de liberale overwinning was voor deze groep, waaronder Hendrik de Man, Georges Sarton en de gebroeders Antoon en Leo Picard, die 't Zal onafhankelijk wensten te zien van enge partijpolitiek, de maat vol. Zij verlieten de vereniging en stichtten een nieuw genootschap, Ter Waarheid. In 't Zal bleven ongeveer 50 leden. Toch werd het ook voor diegenen die in 't Zal bleven steeds moeilijker om de traditionele band met de liberale partij in stand te houden mede als gevolg van de steeds groter wordende aanwezigheid van socialisten. Binnen 't Zal kreeg "Klauwaard en Geus" de omschrijving van radicaal Vlaamsgezind en anti-klerikaal vrijzinnig. De begrippen liberaal en socialist werden angstvallig vermeden. Dit was duidelijk de voorbode van de latere conflicten met de Bond der Oud-leden.

De Eerste Wereldoorlog leidde tot een pijnlijke verminking van de vereniging. Er was niet alleen de inactiviteit geweest in de oorlogsjaren tijdens dewelke een aantal 't Zallers sneuvelden. Er was ook het fenomeen dat een aantal vooraanstaande oud-'t Zallers, waaronder Tack, Hippoliet Meert, Adriaan Martens, Willem de Vreese en Josué de Decker leidinggevende functies hadden bekleed binnen het activisme. Hun houding werd scherp aangevallen door het merendeel van de andere oud-leden die onder invloed stonden van een sterk passionele Belgisch-patriottische sfeer.

Ook met 't Zal zelf, dat in 1919 werd heropgericht, was de verstandhouding zoek. Het groot eenheidsstreven, dat na de oorlog in de Vlaamse studentenwereld heerste, had geleid tot de oprichting van een Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond (AVHV), waarin naast 't Zallers, ook de Rodenbach's Vrienden en Fronters waren toegetreden. Ook in de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit heerste er onenigheid tussen 't Zal en de Bond der Oud-leden. In 1923 werd immers de Nolf-wet goedgekeurd, waarop door de Vlaamsgezinde studentenverenigingen, aangevoerd door het AVHV met de berucht geworden boycot werd gereageerd. Na enige aarzeling sloot 't Zal zich daarbij aan, echter zeer tegen de zin van vele oud-leden en andere Vlaamse liberalen. Maurits Basse, Julius Hoste (jr.) en anderen betoogden dat men nu maar eens diende te nemen wat men kon krijgen in plaats van altijd het onderste uit de kan te eisen. 't Zal volhardde echter en kwam aldus in openlijk konflikt met de oud-ledenbond.

Na heel wat strubbelingen en verwarring kwam het in 1927 eindelijk toch tot een verzoening. 't Zal stemde er in toe om aan de boycot-actie te verzaken en hem zelfs te bestrijden, om het Belgisch staatsverband te eerbiedigen en om van alle officiële betrekkingen met activisten af te zien. Hiermee was het klimaat geschapen om het 75-jarig bestaan van de vereniging te vieren. Het was duidelijk dat 't Zal in die periode op weinig steun en sympathie kon rekenen binnen de liberale en socialistische beweging. Dit zou met zich meebrengen dat het accent in de werking van het 't Zal automatisch verschoof van het Klauwaard-aspect naar het Geus-zijn.

De jaren 1930 werden gekenmerkt door een sterke intellectuele creativiteit die gepaard ging met een actieve inzet tegen de opkomst van het fascisme. In maart 1933 werd op initiatief van 't Zal te Gent de eerste anti-fascistische eenheidsmeeting georganiseerd. Verschillende 't Zallers vochten als lid van de Internationale Brigades in de Spaanse Burgeroorlog en de vereniging zou een zware tol betalen aan de naziperiode. Niet minder dan 18 leden sneuvelden, werden omwille van verzetsdaden geëxecuteerd of kwamen om in de concentratiekampen.

De na-oorlogse periode stond volledig in het teken van de strijd tegen het fascisme, de Koningskwestie en de schoolstrijd. Deze drie strijditems waren het hechte bindmiddel tussen liberalen, socialisten en een sterke aanwezigheid van communisten. Het accent kwam nu definitief te liggen op het Geus-zijn, zonder dat het eerste facet, de Klauwaard, volledig verwaarloosd werd. Zo nam 't Zal in de jaren 1960 nog deel aan Vlaamsgezinde betogingen en trad het toe tot het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. De meeste energie werd evenwel aan de uitbouw van de vrijzinnigheid besteed waarbij 't Zal zich steeds nadrukkelijker als een kritische gesprekspartner ging opstellen. Dit was duidelijk de houding binnen de in 1971 opgerichte Unie van Vrijzinnige Verenigingen. Een belangrijk recent initiatief betrof de oprichting van de driejaarlijke Geuzenprijs die diegenen wil huldigen die door middel van een emancipatorische vrijzinnige houding een bijdrage leveren tot een vrij, open en meerdimensioneel leefklimaat in Vlaanderen en Nederland.

Literatuur

J. Vuylsteke, 'De eerste jaren van 't Zal wel gaan', in Gentsche Studentenalmanak, XXV (1885), p. 6-33; 
1852-1902, 't Zal wel gaan. Bloemlezing uit de almanakken van het Taalminnend Studentengenootschap 't Zal wel gaan, 1903; 
R. van Vlaenderen, 'De geschiedenis van het Taalminnend Studentengenootschap 't Zal wel gaan', in Gentse Studentenalmanak, LVIII (1952), p. 35-67; 
id., 'De eerste jaren van 't Zal wel gaan', in Vrij Onderzoek, jg. 2 (1952), p. 30-35; 
H. Balthazar, Het Taalminnend Studentengenootschap 't Zal wel gaan (1852-1977) (Uit het Verleden van de R.U.G., nr. 3, 1977); 
id., 'De vroegste geschiedenis van de Vlaamse vrijzinnige studentenbeweging (1830-1885)', in Klauwaard en Geus. Honderd jaar Bond der Oudleden van 't Zal wel gaan (1885-1985), 1985, p. 3-13; 
G. Declercq, 'Een historiek van 100 jaar Bond der Oudleden van 't Zal wel gaan', in Klauwaard en Geus. Honderd jaar Bond der Oudleden van 't Zal wel gaan (1885-1985), 1985, p. 27-69; 
J. van Eyken, ' 't Zal wel gaan en de strijd om de vernederlandsing der Gentse Universiteit voor W.O.I', in Klauwaard en Geus. Honderd jaar Bond der Oudleden van 't Zal wel gaan (1885-1985), 1985, p. 80-95; 
L. Stakenborghs, Het Taalminnend Studentengenootschap ' 't Zal Wel Gaan' en haar oudledenbond tijdens het interbellum (1919-1940): een verkennend onderzoek, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1991.

Auteur(s)

Roland Willemyns; Georges Declercq; Brian de Ruyver