Vlaamsche Vlagge, De (1875-1933)

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 10 jan 2019 om 18:23 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

tijdschrift van de West-Vlaamse studentenbeweging, dat verscheen vanaf 1875 tot in 1933.

De jaargangen kenden drie afleveringen tot 1893 en vanaf dan vier afleveringen, die uitkwamen bij de schoolvakanties: een met Kerstmis, een met Pasen en een of twee tijdens de grote vakantie (augustus-september). Het tijdschrift werd achtereenvolgens gedrukt in Brugge (1875-1907, eerst bij Delplace, later bij Van Mullem), Leuven (1907-1913, Bosmans) en Tielt (1913-1933, Uitgeverij Lannoo).

Ten gevolge van het succes van de Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen dat met nieuwjaar 1875 was verschenen besloot de Westvlaamsche Gilde tot de uitgave van een scholierentijdschrift waarvan het eerste nummer al met Pasen 1875 van de pers kwam onder de benaming van De Vlaamsche Vlagge. De eerste jaargang vertoonde veel gelijkenis met die van de Almanak: een mengeling van katholieke strijdvaardigheid en liefde voor de gewesttaal.

Deze publicaties wakkerden het jeugdige bewustzijn van de jongeren aan, vooral in het Klein Seminarie van Roeselare waar in juli 1875 De Groote Stooringe uitbrak. Vanaf de tweede jaargang kreeg het tijdschrift, evoluerend met de veranderende mentaliteit in het Klein Seminarie, een meer contestataire en Vlaamsstrijdende inhoud. De Roeselaarse priester-leraars Hugo Verriest, Alfons van Hee en Amaat Vyncke trokken erin van leer tegen de onderdrukkers van de Vlaamsgezinde leerlingenbeweging. Ze betoogden dat de blauwvoeters het recht aan hun kant hadden en stilaan een macht werden waartegen tegenstanders nog weinig vermochten. De Vlag haakte nu ook in op actuele strijdpunten van de V.B., de vernederlandsing van bestuur en onderwijs.

Ook achter de schermen veranderde er wat aan dit scholierentijdschrift. In september 1876 werd de Westvlaamsche Gilde omgevormd tot Vlaggegilde. Behalve de vroegere Westvlaamsche Gebroeders werden ook enkele jongere figuren in de redactieraad opgenomen. Albrecht Rodenbach werd redactiesecretaris naast hoofdman Zeger Maelfait. De redactieleden besloten voortaan geen Almanak meer uit te geven, maar de omvang van de viermaandelijkse afleveringen te verhogen. De titel van het blad werd aangepast aan het West-Vlaamse taalgebruik: vanaf de derde jaargang heette het De Vlaamsche Vlagge.

Via De Vlagge kenden de blauwvoetsymboliek en de meer strijdvaardige geest een snelle verspreiding buiten de West- Vlaamse collegemuren. Het blad vond niet alleen zijn weg naar andere West-Vlaamse onderwijsinstellingen maar ook naar studerende jongeren uit andere provincies. In 1875 en 1876 werden bijdragen opgenomen van jongeren uit het Klein Seminarie van Mechelen en het Klein Seminarie van Sint-Niklaas en in 1877 zorgde Rodenbach vanuit Leuven ook voor bijdragen van leden van Met Tijd en Vlijt. Bij de oprichting van de Vlaamsche Studentenbond in 1877 wilde Rodenbach De Vlaamsche Vlagge tot tolk maken van de nieuwe vereniging en de redactie in handen geven van het 'opperkeurmanschap' van Leuvense studenten. Zijn ondervinding als redactiesecretaris van De Vlaamsche Vlagge had hem geleerd dat het praktisch onmogelijk was een blad goed te redigeren als dat per briefwisseling moest gebeuren. Gebrek aan communicatie had geleid tot spanningen binnen de redactieraad. De Vlaamsche Vlagge, die toen op 600 exemplaren verscheen, kampte overigens met financiële moeilijkheden. Daarbovenop kwamen de groeiende wrijvingen met de kerkelijke overheid. In augustus 1877 kwam er een formeel verbod vanwege bisschop Johannes Faict aan de seminaristen en leerlingen van zijn bisdom om voortaan nog mee te werken aan publicaties en tijdschriften.

Op 3 september 1877 werd een vergadering van de Vlaggegilde belegd om deze problemen te bespreken. Rodenbach vond voor zijn plan om De Vlaamsche Vlagge naar Leuven over te brengen geen steun bij de meerderheid van de aanwezige leden. Er werd besloten om de Vlaggegilde op te heffen en om de redactie en beheer van het tijdschrift over te dragen in de handen van Verriest, die enkele dagen later positief op dat verzoek reageerde. Door deze beslissing behield De Vlaamsche Vlagge haar provincialistisch karakter en verloor ze de functie die ze gedurende twee jaar had vervuld: deze van tolk en organisatorisch bindmiddel van de Vlaamse studentenbeweging.

Tot 1891 bleef De Vlaamsche Vlagge onder het beheer van een groepje West-Vlamingen dat zich vormde rond Verriest in een soort van geheim verbond, de Swighenden Eede. Tot die groep behoorden onder meer de geestelijken Van Hee, Vyncke, Karel Blancke en Emiel Demonie. Verriest en Demonie, die sedert 1881 in feite alleen de redactie hadden waargenomen en geleidelijk het contact met de studentenwereld verloren, werden in 1884 bijgesprongen door jongere figuren die zich in de voorgaande jaren verdienstelijk hadden gemaakt in de Leuvense studentenbeweging. De meesten van hen, de nieuwe hoofdredacteur Hendrik Persyn, evenals Aloïs Bruwier, Renaat Adriaens, Alfons Depla en Emiel Lauwers, hadden sedert enkele jaren of nog maar pas de universiteit verlaten. Onder de nieuwe medewerkers waren ook de studenten René Gits en August Blancke. Zij zouden het Leuvense geluid sterker in De Vlaamsche Vlagge laten klinken door uitgebreide bijdragen met nieuws over de universitaire studentenbeweging. Zij brachten ook een meer radicale toon in het tijdschrift, opteerden duidelijker dan voorheen voor taalstrijd en steun aan de onzijdige Landdagbeweging en leverden kritiek op de overheid en het "'slapende' Davidsfonds". Dat alles leidde in 1885 tot het Ruitenbrekersincident met Guido Gezelle, waarop Verriest en Demonie opnieuw sterker de redactie naar zich toetrokken.

Verriest bleef in De Vlaamsche Vlagge de oude thema's bespelen die karakteriserend waren voor de blauwvoetersideologie zoals deze zich, niet in het minst door zijn toedoen, sedert de tweede helft van de jaren 1870 had ontwikkeld. Hij contesteerde het bestaande opvoedings- en onderwijssysteem omdat het de leerlingen vervreemdde van hun taal en landaard, omdat het hen slaafs en onzelfstandig maakte en hun streven naar authenticiteit ondermijnde door het aanleren van een maniëristische levenshouding. In die kritiek paste ook een afwijzen van een "stijve boekentaal" omdat die onnatuurlijk was. In de plaats daarvan wilde Verriest een vorming stellen die het zelfstandig denken van de leerlingen bevorderde, die hen zou leren op een spontane wijze hun gevoelens en ideeën te verwoorden, die hun natuurlijke liefde voor hun moedertaal zou bevestigen en hun jeugdige drang naar waarheid zou bevorderen. Gezag werd niet afgewezen maar de gezagsverhoudingen dienden gebaseerd te zijn op wederzijds respect waarbij zowel machtsmisbruik als ongehoorzaamheid uit den boze was. Verriest hield aan de lezers een programma van zelfvorming en zelfstudie voor om aan die tekortkomingen in het onderwijs te verhelpen: ze moesten zich oefenen in het schrijven en spreken van eigen taal, hun geschiedenis bestuderen en zich een levenwijze eigen maken die aangepast zou zijn aan hun Vlaamse aard.

Toen De Vlaamsche Vlagge in 1890 wegens bloedarmoede en gebrek aan belangstelling bij de studerende jongeren dreigde te verdwijnen kon het tijdschrift voor één jaargang drijvend worden gehouden door de redactiekring die zich, met onder meer Edward van Robays, rond het nieuwe tijdschrift Biekorf had gevormd. Nadat de Leuvense universiteitsstudent Karel van den Bussche kortstondig de redactie van het zieltogende tijdschrift had waargenomen kwam het hoofdredacteurschap vanaf 1893 in handen van de Brugse collegeleraar Cyriel Delaere die als een bemiddelende figuur fungeerde tussen de West-Vlaamse studenten en seminaristen. Van 1893 tot 1896 gaven vooral Brugse seminaristen, onder meer Julius Valckenaere, Robrecht de Smet, Cyriel Verschaeve en Delphien Vanhaute de toon aan. Er werd een vierde aflevering aan het tijdschrift toegevoegd en met nieuwe rubrieken als "Brievenbus" en "Excellente Cronike" werd De Vlaamsche Vlagge voor het eerst een tijdschrift dat niet alleen voor maar ook door West- Vlaamse collegeleerlingen werd geschreven. In die jaargangen werd opnieuw aangeknoopt bij de romantisch-Vlaamsgezinde boodschap van de blauwvoeterij.

Van 1897 tot 1913 trokken Leuvense studenten de redactie van het tijdschrift opnieuw naar zich toe, al bleef het hoofdredacteurschap nog tot 1907 in handen van Delaere en fungeerden notaris Persyn en arts Depla als beheerders van het tijdschrift. Belangrijke auteurs waren in die jaren onder meer Harry Baels, Gustaaf Doussy en Alfons de Groeve. Na het ontslag van Delaere, van 1907 tot 1913, werden beheer en druk volledig naar Leuven overgebracht en vanaf 1909 berustte het hoofdredacteurschap bij Firmin Deprez. Aan de studenten werd een breed vormingsprogramma voorgehouden dat in dienst werd gesteld van de herleving van Vlaanderen in brede zin: op cultureel, wetenschappelijk, sociaal, politiek en godsdienstig gebied. In dat programma vonden studie, karaktervorming, geloofsverdediging en sociaal engagement een plaats.

Vanaf 1912 groeide er in de West-Vlaamse studentenbeweging evenwel reactie tegen deze tendens tot vorming en studie en tegen de 'nevenbewegingen'. De nieuwe redactie die in 1913 aantrad onder leiding van de priesters Jules Faes en Oscar Verhaeghe en die het tijdschrift weer naar West- Vlaanderen haalde, legde integendeel de klemtoon op het opwekken van nationale geestdrift en stelde de taalstrijd als belangrijkste doelstelling voorop. Deze richting kreeg steun bij seminaristen en in het bijzonder ook vanuit de collegebond van Tielt maar stootte anderzijds op kritiek vanuit het Klein Seminarie van Roeselare. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stelde evenwel een abrupt einde aan deze discussie en aan het verschijnen van het tijdschrift. De vierde aflevering van de jaargang 1913-1914 kwam niet meer van de pers.

Die oorlog was uitdrukkelijk aanwezig in de jaargangen die sinds 1919 opnieuw begonnen te verschijnen op initiatief van oud-frontsoldaat Joris Lannoo en met priester Verhaeghe als hoofdredacteur. Het blad stelde zich radicaal op, laveerde even tussen Frontpartij en Vlaamsch Verbond, maar distantieerde zich resoluut van elke politieke partij om een heldenhuldemystiek te ontwikkelen die weldra niet meer beperkt bleef tot de oud-frontsoldaten, maar werd uitgebreid tot idealistische activisten (activisme). Na de pauselijke brief die de Belgische clerus opriep zich eensgezind achter hun bisschoppen te scharen trok Verhaeghe zich terug als redacteur. Lannoo moest alleen zorgen voor het Kerstnummer van 1921, dan werd priester Karel van der Espt, die in Leuven aan het Amerikaans college doceerde, hoofdredacteur. Hij had veel contacten met de Leuvense studentenleiders en dreef het blad in de richting van een radicaal flamingantisme met latente anti-belgicistische ondertonen en pleidooien voor zelfbestuur die hij inbedde in een integraal katholicisme. Het blad kreeg een sterkere respons vanuit de West-Vlaamse colleges, zoals bleek uit de stijging van het aantal ingezonden opstellen. Toen in december 1923 Van der Espt onverwachts werd teruggeroepen uit Leuven om onderpastoor te worden in Diksmuide werd zijn rol overgenomen door priester Leo Dumoulin, die net als Van der Espt in het spoor liep van het radicale weekblad Vlaanderen van De Smet. Hij koos uitdrukkelijk voor een ultrakatholiek Vlaams-nationalisme van anti- Belgische strekking, gaf steun aan de amnestiebeweging voor activisten, sympathiseerde met de opstandige Leuvense studenten tijdens hun revolte van 1924-1925, en betwistte de kerkelijke overheid het recht de studentenbeweging een politieke gedragslijn voor te schrijven. Hij zette in de zomer van 1925 samen met enkele oud-Vlagge-redacteurs onder wie Hilaire Allaeys een grootse viering van 50 jaar De Vlaamsche Vlagge op het getouw en hielp mee een dik huldeboek samenstellen. In 1925 veroordeelde de kerkelijke overheid het Vlaams-nationalisme en trof verbodsmaatregelen tegen het tijdschrift, dat om hieraan te ontsnappen één jaargang lang (1925-1926) zijn naam wijzigde in Het Pennoen, maar daarna, van 1926 tot zijn verdwijnen in 1933 in de opstelling van de bisschoppen nog meer reden vond om zijn lezers tot wantrouwen aan te sporen. Vanaf Kerstmis 1926 verscheen De Vlaamsche Vlagge opnieuw in zijn 52ste jaargang, met de Roeselaarse oogarts en oud-studentenleider Berten Catry als verantwoordelijke naar buiten, maar nog steeds met Dumoulin als hoofdredacteur. Het blad richtte zijn inhoud nog meer op propaganda voor katholiek Vlaams- nationalisme en anti-belgicisme en combineerde dat met aansporingen om ondanks alle vervolging trouw te blijven aan De Vlaamsche Vlagge en het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS), en zich niet te onderwerpen. Een groot aantal leerlingen werd bijzonder aangesproken door de conspiratiegeest waarin voortdurend werd verwezen naar Rodenbach en de blauwvoeterij, zodat de verspreiding in de colleges tot rond 1930 nog erg groot was, en het aantal opstelinzendingen van lezers tussen 1926 en 1931 zelfs recordhoogten bereikten. Maar met het aantreden in 1929 als hulpbisschop en in 1931 als bisschop van Henri Lamiroy werd de vervolging van het Vlaams-nationalisme bij clerus en collegeleerlingen verscherpt, terwijl tegelijk de sinds 1928 nieuw opgerichte Katholieke Studentenactie door Karel Dubois vooral vanaf 1931 succes begon te kennen in de colleges. Daardoor ontstond bij een jongere generatie scholieren een nieuwe kerkelijke geest. Ze geloofde niet meer dat het verzet tegen de kerkelijke overheid tot de essentie behoorde van de blauwvoeterij, maar begon zelf met een nieuwe kerkelijk goedgekeurde Vlaamse studentenbeweging, die zich evenzeer beriep op Rodenbach. Zo verloor De Vlaamsche Vlagge op enkele jaren tijd zijn gehele achterban. Dat proces werd versneld door de sterke versplintering waarmee het Vlaams-nationalisme ook bij de studerende jeugd had af te rekenen na de oprichting van het Verdinaso. De laatste jaargang, de 58ste, verscheen in 1932-1933. Het tiental abonnees dat nog over was kreeg van januari 1934 af het nieuwe blad De Witte Kaproen toegestuurd, dat door de AKVS-leiding in Antwerpen werd uitgegeven, maar in december 1934, na 9 nummers ook de vlag moest strijken.

Literatuur

Het Vlaggeboek, 1926; 
L. en L. Vos- Gevers, Dat volk moet herleven. Het studententijdschrift De Vlaamsche Vlagge 1875-1933, 1976; 
L. Vos, Bloei en ondergang van het AKVS, 2 dln, 1982; 
L. Gevers, Bewogen Jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de katholieke Vlaamse studentenbeweging (1830-1894), 1987.

Verwijzingen

zie: Davidsfonds, katholieke Vlaamse studentenbeweging.

Auteur(s)

Lieve Gevers; Louis Vos