Prayon-van Zuylen, Alfons M.N.

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:24 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 19 november 1848 – Twickenham 16 november 1916).

Was de zoon van Alphonse G.J. Prayon die, te Elberfeld (Duitsland) in 1823 in een uit Herve na de Luikse Revolutie van 1789 uitgeweken Waals gezin geboren was, op 21-jarige leeftijd voor de Belgische nationaliteit koos en zich te Gent vestigde. Alfons Prayon volgde middelbaar onderwijs aan het Gentse atheneum en studeerde van 1867 tot 1873 rechten aan de Rijksuniversiteit Gent. Hij huwde op 12 september 1874 barones Helena van Zuylen van Nyevelt (vanwaar de toevoeging van Zuylen) en was van 1876 tot 1908 afwisselend te Gent en te Elsene als advocaat gevestigd. Eind 1905 week hij uit naar Engeland.

Zowel thuis als op school verliep nagenoeg alles in het Frans. Toch ontlook Prayons flamingantisme op het atheneum dankzij zijn leraar Nederlands, Jacob F. Heremans. In aansluiting daarop werd hij aan de universiteit lid van 't Zal wel gaan en publiceerde van 1868 tot 1874 in de Gentsche Studentenalmanak, waarvan hij vier jaar redacteur was, vooral letterkundige bijdragen onder de pseudoniemen van A. Hieckx Az. en Alfred Terlaenen. Bijzondere vermelding verdienen enige gedichten uit 1872, waarin hij met andere liberale Vlaamsgezinden in Groot-Nederlandse geest deelnam aan de Geuzenfeesten. In 1873 advocaat- stagiair geworden werd hij in Gent medestichter van de Vlaamse Conferentie der Balie. In 1889 verdedigde hij met Edmond Picard de Brusselse stagiair Maurits Josson die vanwege zijn Vlaamsgezindheid in conflict was gekomen met de Tuchtraad van de Orde der Advocaten.

Al noemde Prayon in 1875 de Belgische Revolutie een "onvergeeflijke dwaasheid", toch was zijn Nederlandse overtuiging niet tegen België gericht – herhaaldelijk verwierp hij de scheidingsgedachte – noch sloot ze een zeker anti-hollandisme uit (vergelijk de polemieken van Willem de Vreese in de Vlaamse Academie). De Aldietse Beweging van Constant J. Hansen wees hij nadrukkelijk af, evenals aanleuning bij Duitsland, hoezeer hij ook in 1871, maar dan vooral uit afkeer voor Frankrijk, Duitsgezind was geweest. De sympathie voor Duitsland diende maar om de Nederlandse nationaliteit in stand te houden; pan-Germanist is Prayon nooit geworden. Zo begrijpt men vanuit dit nationalisme zijn sympathie voor de Slavische volken in de Donau-monarchie. Deze, maar ook België, moest voor het nationaliteitenvraagstuk het voorbeeld van Zwitserland volgen, dit wil zeggen gelijkheid voor alle groepen binnen dezelfde staat. Ook de Ierse kwestie trok regelmatig Prayons aandacht. Prayon stond in de V.B. echter nogal alleen toen hij – ditmaal als anglofiel – Engelands recht in Zuid-Afrika verdedigde. Over al deze staatkundige, historische, taalpolitieke en juridische problemen publiceerde en polemiseerde hij onafgebroken van 1874 af in diverse tijdschriften en weekbladen. Krachtig was zijn inzet voor de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, waarmee hij bijdroeg tot de wet van 1883. Op talloze vergaderingen en in vele verenigingen manifesteerde hij met het woord zijn Vlaamsgezinde inzichten. Dat deed hij inzonderheid in het Willemsfonds, sedert 1887 als lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (waarvan hij in 1903 bestuurder was), als conferencier bij de Vlaamse balies van Gent en Brussel, als voorstander van de politiek van de Landdagbeweging (vooral in de jaren 1888-1890), als voorzitter te Brussel van de Liberale Vlaamsche Bond (1889-1893), als lid van het hoofdbestuur van het in 1890-1891 te Brussel opgerichte Nationaal Vlaamsch Verbond en als hoofdredacteur van het Brussels vrijzinnig en sociaal- progressief weekblad De Flamingant (1889-1893), waarvoor hij eenderde van het beginkapitaal bijdroeg. Ofschoon uitgesproken vrijzinnig en liberaal voelde Prayon zich toch niet erg partijgebonden. Hij aanvaardde zijn verkiezing in de Vlaamse Academie te Gent, al bracht die een verwijdering mee met zijn liberale vrienden. En op de Edward Coremans-hulde, tijdens de Vlaamsche Landdag te Antwerpen op 10 februari 1889, formuleerde hij de Verklaring van de rechten van den Vlaming en hield er de feestrede. In datzelfde jaar voerde hij actie tegen het hoofdbestuur van het Willemsfonds dat hij onvoldoende liberaal en Vlaamsgezind vond. Op deze wijze demonstreerde Prayon telkens zijn onafhankelijk flamingantisme en hoezeer hij voorstander was en bleef van samenwerking onder alle Vlamingen. Hij trad toe tot de in 1892 te Brussel gestichte Vlaamsche Volkspartij, die zich democratisch en bovenpartijdig opstelde; na een conflict met de radicaal Vlaamsgezinde Josson werden Prayon en de groep rond De Flamingant in 1894 uitgesloten. Sedert zijn uitwijking naar Engeland waar hij eind 1905 in Londen een kantoor opende, bleef Prayons Vlaamsgezinde activiteit beperkt tot medewerking aan de liberale De Vlaamsche Gazet van Brussel en enkele lezingen in de Koninklijke Academie te Gent.

Literatuur

G. Baert, 'A.M.N. Prayon (van Zuylen)', in NBW, VII, 1977; 
L. Jansegers, 'Onmachtspositie van het Brusselse liberale flamingantisme (1884-1895)', in Taal en Sociale Integratie, VI, 1982, p. 107-136; 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke (1836-1903). Klauwaard en Geus, 1984.

Auteur(s)

Reginald de Schryver