Meert, Hippoliet

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 10 jan 2019 om 13:19 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Aalst 1 april 1865 – Middelburg 20 november 1924). Neef van Leo Meert.

Meert werd grootgebracht bij een oom en een tante die een ijzerwinkel hadden. Hij volgde middelbaar onderwijs te Aalst en te Gent, waar hij tevens de ingenieursstudie begon. Een ernstige ziekte onderbrak deze studie echter, waarna hij Germaanse talen, geschiedenis en aardrijkskunde ging studeren. Hij was achtereenvolgens leraar aan de athenea te Ieper, Luik, Brussel, Leuven en Gent, waar hij in 1896 vast benoemd werd. Meert maakte zich tevens verdienstelijk door zijn werken over taal en taalzuivering. Driemaal werd hij door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde bekroond.

Meert behoorde tot degenen die in de Vlaams-liberale politiek stonden, zonder evenwel hun hoofdactiviteit op de politiek te richten. Het was Meert die in 1893, antwoordend op het artikel "Heeft de Nederlandsche taal eene toekomst?" verschenen in het blad De Nederlander te Chicago (3 februari 1893), een plan ontvouwde om, naar het voorbeeld van de Alliance française en van de Alldeutscher Verband, ook een Algemeen-Nederlands Verbond te stichten om de Nederlandse cultuur te steunen. Deze gedachte vond weerklank en op 27 april 1895 werd, na een voordracht van Meert voor het kunstgenootschap De Distel te Brussel, tot de stichting van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) overgegaan, waarvan de statuten op 9 juni goedgekeurd werden. Toen in 1898 de zetel van Brussel naar Dordrecht werd overgeplaatst, werd Meert secretaris voor België. In 1896 werd, eveneens door Meert, het maandblad Neerlandia gesticht. Het ANV is "geboren uit de strijdvaardige Nederlandse gezindheid van Meert om het stambewustzijn van de verspreide Nederlanders op te wekken en daarbij ook de Nederlandse taal en cultuur als hefboom te gebruiken" (Hendrik Elias). Het is dan ook in deze samenhang dat Meerts sympathie voor de Boeren van Zuid-Afrika in hun oorlog tegen Engeland gezien moet worden: hij belegde protestvergaderingen tegen de Engelse handelwijze, gaf het blad Transvaal uit (33 nummers in 1899-1900) om genegenheid voor Zuid-Afrika op te wekken en bracht geld bijeen voor een ambulance voor Zuid-Afrika.

Meert, die ijverde voor de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, is tevens onafscheidelijk verbonden aan de beweging voor de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit voor 1914. Als secretaris van de tweede Vlaamsche Hoogeschoolcommissie (1907; Commissie-Lodewijk de Raet) was hij als het ware de propagandaleider: hij organiseerde vergaderingen, verzamelde gegevens, schreef brochures, leverde de sprekers argumenten voor hun toespraken, maar sprak zelden zelf. Hij was tevens uitgever en redacteur van het maandblad De Vlaamsche Hoogeschool (1911-1914).

Toen de Gentse socialisten in 1910 weigerden zich aan te sluiten bij het Guldensporenfeest, waaraan in verscheidene Vlaamse steden sinds enige jaren Vlamingen van alle politieke gezindten deelnamen, ontstond in het socialistische dagblad Vooruit een polemiek tussen Meert en redacteur Ferdinand Hardijns. Voor deze laatste was de V.B. een "papenwerk" en een "klodderspaan", wat door Meert radicaal ontkend werd. De V.B. definieerde hij als de actie van de flaminganten die de eerste taalwetten toegepast wensten te zien in gerecht, bestuur en elders, waar de Vlaamse werkman, doordat hij geen Frans kende, het eerste slachtoffer was van de vroeger bestaande toestanden, tot schade van zijn stoffelijke belangen. Meert beschouwde de Vlaamse kwestie tevens als een broodkwestie. De statistieken bewezen volgens hem voldoende dat de Vlaming, omdat hij Vlaming was, achteruit werd gesteld. Het was onder invloed van De Raet, dat Meert ook oog kreeg voor economische en sociale problematiek in de V.B. Hij was tevens bezorgd voor het lot van de Vlamingen in Wallonië, waar hij met behulp van Gustaaf Vermeersch in enkele centra afdelingen van het ANV oprichtte, evenals ziekenkassen en volksbibliotheken.

Zijn opvattingen over administratieve scheiding zou Meert uiteenzetten in zijn antwoord op Jules Destrées Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre, verschenen in de Revue de Belgique (augustus 1912), waarin de Vlamingen beschuldigd werden op vele gebieden, zowel in het verleden als in het heden, het Waalse volk bestolen te hebben. Meerts antwoord, in het Frans verschenen in De Vlaamsche Hoogeschool (augustus-september 1912), is een gedocumenteerde weerlegging van de grieven, genoemd door Destrée. Het betoog van Meert is een Vlaams grievengeschrift geworden, waarvan de toon op vele plaatsen scherp is en zeer fel afsteekt tegen het literaire betoog van Destrée. Persoonlijk had Meert geen bezwaar tegen de administratieve scheiding, hij was zelfs de mening toegedaan dat een autonoom Vlaanderen en een autonoom Wallonië een sterker België zouden maken. Uit naam van de V.B. wees hij echter de eis af: vele Vlamingen vreesden de scheiding en verkozen boven alles een onafhankelijk België, waar het voor de Vlamingen langzaam voorwaarts ging. Het antwoord van Meert werd in duizenden exemplaren in brochurevorm (Nederlands en Frans) verspreid. Hiervoor werd zelfs een speciaal comité gevormd.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog distantieerde Meert zich duidelijk van de Jong-Vlaamsche Beweging. Hij behoorde tot degenen die de zaak van Vlaanderen aan de zaak van België verbonden: zolang België geen hinderpaal was voor Vlaanderens ontplooiing, zou hij België trouw blijven. Hij spoorde de Vlamingen zelfs tot voorzichtigheid aan in het belang van de Vlaamse zaak. De aanleiding voor Meert om bij het activisme betrokken te worden, was een communiqué van het Belgisch Informatiebureau in Den Haag, in de eerste helft van juli 1915 aan de Nederlandse pers gezonden, waarin de publicatie aangekondigd werd van een manifest van bekende Vlaamse leiders, waarin de ondertekenaars alle taaltwisten op dit ogenblik afkeurden en verklaarden niets te maken te hebben met bladen die alleen maar werktuigen in handen van de Duitsers waren. Zij zouden verder de tactiek van de Duitsers veroordelen, telkens als dezen de Vlamingen wilden compromitteren door hun ongevraagd voordelen te schenken. De strijd diende na de oorlog voortgezet te worden, zonder echter ooit de zelfstandigheid van de Belgische staat uit het oog te verliezen. Hierop reageerde Meert in de Nieuwe Courant (17 juli 1915). Hij beweerde dat van een dergelijk manifest in Gent niets bekend was en verklaarde, na de opsomming van de voortbestaande grieven en van de beledigingen aan het adres van de Vlamingen, beslist geen stilzwijgen te aanvaarden. Van de Duitsers werden geen gunsten gevraagd. Hij eiste echter de toepassing van de bestaande taalwetten en zou niet protesteren, als de Duitsers ze deden toepassen. Hij aanvaardde de Belgische natie maar het moest er een zijn waarin de Vlamingen hun vrije en zelfstandige ontwikkeling gewaarborgd zagen.

In oktober 1915 bracht Meert met Gustaaf Doussy en Reimond Speleers te Gent Volksopbeuring tot stand met het doel de geestelijke en stoffelijke nood van de Vlamingen in het bezette gebied en van de Vlaamse soldaten in Duitse krijgsgevangenschap te lenigen.

Meert is tevens secretaris geweest van de Bond tot bevordering van de Vlaamsche Hoogeschool te Gent, de zogenaamde Hoogeschoolbond (opgericht in 1916) en verleende zijn medewerking aan de Duitse commissie die belast was met het voorbereidende werk voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. In 1917 werd Meert tot hoogleraar benoemd aan de door de Duitse bezetter vernederlandste Gentse universiteit. Al eerder (oktober 1916) was hij benoemd tot bestuurder voor het middelbaar onderwijs van de Vlaamse afdeling van het gesplitste ministerie van kunsten en wetenschappen. Meert was tevens lid van de Raad van Vlaanderen, maar nam in juli 1918 ontslag om een redevoering van kanselier Georg von Hertling, in de Rijksdag, over het lot van België in de toekomst: over Vlaanderen werd daarin geen woord gezegd; België zou hersteld worden en Duitsland wilde met België in vriendschap blijven leven. Meert gebruikte hier het woord "verraad" aan het adres van de Duitsers, die volgens hem de activisten als speelgoed gebruikt hadden.

In 1918 vluchtte Meert, die tot 20 jaar dwangarbeid veroordeeld zou worden, naar Duitsland, waar hij in Hannover een postzegelhandeltje opende en kantoorbenodigdheden verkocht. In september 1924 vestigde hij zich in Den Haag, maar overleed enkele maanden later in de kliniek van dr. Adriaan Martens te Middelburg.

De Vlaams-nationalisten wilden Meert op luisterrijke wijze te Gent begraven, zoals dit enige tijd tevoren te Kortrijk was gebeurd na het overlijden van Alfons Depla. De Gentse politie trad echter zeer hardhandig op en dreef de begrafenisstoet uiteen: een politieke begrafenis van een veroordeelde activist werd te Gent niet geduld. In oktober 1925 werd op het stedelijk kerkhof te Gent een monument op Meerts graf onthuld. In 1944 door een granaat vernield, werd het graf pas in 1957 hersteld.

Werken

Artikelen in Neerlandia; De Vlaamsche Hoogeschool; De Ploeg; 
Het voornaamwoord Du, 1890; 
Distels, proeve van taalzuivering, 1897; 
Het Nederlandsch taalgebied; studie, 1897; 
Onkruid onder de tarwe, proeve van taalzuivering, 1899; 
Vormleer van de taal van Ruusbroec, 1901; 
Debat Meert-Hardyns over het 11e juli feest en de Vlaamsche Beweging, 1910; 
Antwoord op den brief aan den Koning over de scheiding van Wallonië en Vlaanderen van den Heer Jules Destrée, 1912; 
Réponse à la lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre de Jules Destrée, 1912.

Literatuur

E. de V. (= A. de Bruyne), 'Hippoliet Meert', in 't Pallieterke (24 en 31 december 1964 en 7 januari 1965); 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, IV, 1965; 
id., 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I-II, 1969; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
A. de Bruyne, 'Hippoliet Meert (1865-1924), vader van het Algemeen Nederlands Verbond', in Neerlandia, jg. 76, nr. 2 (1972), p. 57-69; 
J. Vinks, 'Hippoliet Meert', in Twintig eeuwen Vlaanderen, XIV, 1976; 
D. van Damme, Leven en werk van Hippolyte Meert. De periode 1865-1907, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1980; 
K. Boel, Hippoliet Meert, taalkundige, flamingant, aktivist: een vergeten, maar een groot Aalstenaar, 1983; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991.

Verwijzingen

zie: Algemeen-Nederlands Verbond.

Auteur(s)

Janine Beyers-Bell