Literatuur en V.B.

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 10 jan 2019 om 13:14
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Tot 1914

De emancipatiebeweging van het Vlaamse volk in het moderne België is nauw verbonden met de evolutie van de literatuur. In de nieuwe onafhankelijke Belgische staat na 1830 bood de revolutionaire grondwet waarborgen voor volkssoevereiniteit, juridische gelijkheid en vrijheid voor burgers van diverse gezindheden. Dit nam niet weg dat op cultureel gebied de Vlaamssprekende bevolking de facto geen gelijke kansen had. De keuze voor het Frans als voornaamste officiële taal bevorderde het gebruik van het Frans als cultuurtaal bij de maatschappelijke, bestuurlijke en culturele elite van het land. In de Vlaamse ontvoogdingsstrijd stond daarom van bij het begin de eis voor de erkenning van de taal centraal. In de aanvangsfase sprongen vooral de literatoren en de literatuurhistorici hiervoor in de bres. Zij vervulden immers een voorbeeldfunctie: de effectieve 'letteroefening' in de volkstaal en de studie van het eigen, kwalitiatief hoogstaande literaire verleden moesten het bewijs leveren van een voortreffelijke en, tegenover het Frans, op zijn minst gelijkwaardige cultuurtaal. Beide activiteiten op het letterkundig gebied waren verbonden met de opbouw van een nationaal cultureel bewustzijn dat eerst nog Belgisch van aard was, maar vanaf 1840 en tot de Eerste Wereldoorlog vooral het karakter had van een Vlaams subnatiegevoel binnen het Belgisch bestel. De evolutie van de V.B., die op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw de eerste wettelijke waarborgen verkreeg voor een zelfstandige Vlaamse identiteit en een eigen homogeen-culturele gemeenschap, verliep dan ook opvallend lang parallel met die in de Vlaamse literatuur. Die ontwikkelde zich van een art engagé, een literatuur in dienst van een beschavings- en nationaal ontvoogdingsideaal, naar een relatief autonoom-functionerende literatuur. De breuklijn hiervoor lag ook pas op het einde van de 19de eeuw. In vergelijking met de buitenlandse literaturen is dit laat. In Frankrijk was er reeds in de jaren 1850 sprake van een dergelijk autonoom literair veld. Vlaanderen zag pas omstreeks 1885-1890 – de individuele uitzonderingen en voorlopers niet te na gesproken – het fenomeen opduiken van literair-artistieke tijdschriften en auteurs die zich losmaakten van elke ideologische tendens of nationaal geïnspireerde esthetiek. Toen pas ontwikkelde er zich een productie- en distributienetwerk van literaire professionelen, auteurs die het principe van de vrijheid van de kunst op consequente manier nastreefden, gespecialiseerde uitgeverijen, tijdschriften en critici in communicatie met een hoofdzakelijk of zelfs louter literair geïnteresseerd publiek.

De voorgeschiedenis (tot 1830)

De Nederlandse taal speelde geen rol van betekenis in het ontstaan van de nationale Belgische staat. De basis hiervoor werd gelegd in de eeuwen daarvoor, toen de Zuidelijke Nederlanden weliswaar op economisch, politiek en cultureel gebied een eersterangsrol konden vervullen, maar waarbij aan de volkstaal geen overeenkomstige betekenis in het intellectuele verkeer of in het culturele domein werd verleend. De verwaarlozing van de volkstaal voor culturele doeleinden sinds de 17de eeuw en de eeuwenlange culturele invloed van het Frans in het Zuiden zorgden ervoor dat het in de Oostenrijkse Nederlanden van de 18de eeuw een evidentie was dat door de elite, het hof en in de binnendiensten van de centrale administratie enkel het Frans werd gebruikt. Ondanks die verfransing bevorderden de verlichtingsidealen echter op het einde van de eeuw ook een verlangen naar nationale identiteit. Dit werd in 1787-1788 op overtuigende wijze verwoord in het cultuurpolitiek betoog van de Brusselse jurist en democraat Jan B. Verlooy, Verhandeling op d'onacht der moederlyke tael in de Nederlanden. Respect voor en beoefening van de 'vrije' moedertaal boden voor Verlooy en andere intellectuelen uit zijn omgeving de beste garantie voor de bevordering van onderwijs, wetenschap en cultuur in een soevereine federale nationale staat. Na de mislukking van de Brabantse Revolutie (1789-1790) en de inlijving van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk (1795-1814) werd de verbinding tussen verlichte progressieve krachten en de opbouw van een nationale cultuur echter tenietgedaan. Verdedigers van de moderne liberale ideeën verlieten de opvatting dat de volkstaal en de nationale eigenheid de basis vormen voor de opbouw van een moderne nationale samenleving. De nationale beweging werd daarmee onttrokken aan een liberaal-progressieve opinie. De literaire activiteit bleef daardoor ook volledig in handen van de traditionele producenten van literatuur die het Zuid-Nederlandse literaire leven in de 18de eeuw hadden bepaald, de rederijkerskamers en gezelschappen van vrije liefhebbers die nauw aanleunden bij de volkscultuur, waarbij de smaak op opvallende wijze was afgestemd op praal en overdaad. De beoefende genres waren vooral het toneel en de poëzie. Van de roman was hier nog geen sprake; voor proza moest men terecht in volksboeken, godsdienstige werken, periodieken en almanakken. De meest geliefkoosde onderwerpen waren en bleven van godsdienstige, historische of pseudo-historische aard en inspiratie moest dikwijls worden gezocht in de herhaling van 17de-eeuwse producten of via vertaling van het Franse toneelrepertorium (vooral Molière en Voltaire). Op het einde van de 18de en het eerste decennium van de 19de eeuw nam de frequentie van dicht- en toneelwedstrijden tussen rederijkersgenootschappen en 'letteroefenaren' in West- en Oost-Vlaanderen zelfs toe. Het nationale thema dat in de loop van de 18de eeuw in een humanistische traditie voortleefde, zoals bij Jan Pieter van Male of in de inleiding tot Den schat der fabelen (1739) van Johannes L. Krafft, kwam in enkele felbevochten prijskampen met onderwerpen uit de vaderlandse geschiedenis uitdrukkelijk aan bod. Het werd er vastberaden, zij het ook krampachtig en met veel pathos verwoord: bewondering voor de eigen taal, heimwee naar de vroegere grootheid, besef van het eigentijds cultureel verval en verlangen naar een toekomstig herstel. Dit gebeurde vooral in de tweetalige dichtwedstrijd van Aalst met als onderwerp De Belgen/Les Belges, geopend in 1807 en afgesloten in 1810. In de verzen van de winnaars, Pieter J. de Borchgrave, van Wakken, Augustijn E. van den Poel, eveneens van Wakken en van David de Simpel uit Staden kon men in felle bewoordingen een lofprijzing horen van de deugden der Belgen (onverschrokken trouw, militaire inzet, werklust, wijsheid, geloof, koopmanschap), vooral met de oorspronkelijke Belgen of oerouders van de bewoners van het noordelijk én zuidelijk deel van de vroegere Nederlanden (of "'t Nederland") voor ogen. Die nationale inspiratie vinden we ook bij een tijdgenoot als Pieter J. Robyn, lid van de Gentse De Fonteine-kamer, die net als zijn rivaal De Borchgrave, in zijn dichtwerken De Belgen en De Belgische Schilders Belgen en Hollanders als één volk beschouwde en de Noord-Nederlandse dichters (J. van den Vondel, J. Cats, Willem Bilderdijk) als de na te volgen voorbeelden naar voren bracht. Nationale gevoelens gingen in die periode ook gepaard met taalzorg en de bestudering van de retorische voorschriften voor 'letteroefening' in de moedertaal. Daarbij werd getracht afstand te nemen van de Franse poëtica. Beide elementen waren aanwezig in het werk van Frans D. van Daele (pseudoniem: Vaelande), van Ieper, met zijn taal- en letterkundig tijdschrift Tyd-verdryf (41 afleveringen, 1805-1806), waarin hij de tot verval geraakte taal trachtte te reglementeren en te zuiveren, en in de verbeterde heruitgave van een (kritische) vertaling van Boileaus Art Poétique die de Brugse rederijker Jan Labare in 1721 had bezorgd (Digt-konst van Boileau-Despréaux, 1810).

In de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I (1815-1830), waarin het Nederlands als de officiële nationale taal werd ingevoerd, waren de verdedigers van een nationale cultuur en literatuur van het katholieke België op basis van de Vlaamse volkstaal in het verweer. Hun woordvoerders, zoals de priester Leo de Foere die in zijn tijdschrift Le Spectateur belge een verband legde tussen de taal, de groei van een natie en het traditionele katholicisme in het Zuiden, traden in het strijdperk tegen de verdedigers van de regeringspolitiek, voor wie het Nederlands de officiële taal was van een eenheidsrijk onder niet-katholieke, Hollandse leiding. Als ambtenaar in Nederlandse overheidsdienst speelde de autodidact Jan F. Willems een belangrijke rol als spreekbuis van de eenheidspolitiek. Op cultureel vlak zorgde die via regeringssteun voor een gunstig klimaat. Willems c.s. gaven in die context uiting aan een positief ingekleurd toekomstperspectief en een trots patriottisme. Fundament ervan waren een romantische terugblik op het vaderlandse verleden en een reflectie op de taal. Zowel op het vlak van de literaire productie, met een aantal gelegenheids- en lofgedichten, als op dat van de literaire historiografie resulteerde dit in een aantal teksten en studies die Willems een pioniersrol hebben verleend. Voorbeelden zijn de Ode op de herstelling der Nederduytsche tael door Willem I, Prins van Oranje-Nassau, in 1814, verschenen in de Antwerpse Almanak van Nut en Vermaak ("Triomf! - onz' Nederduitsche taal/ Is van het Fransche juk ontheven"), en het spraakmakende gedicht Aen de Belgen (1818), waarin hij op polemische toon en tegen Fransgezinde opiniemakers in, de bewoners van de Zuidelijke Nederlanden, erfgenamen van de roemrijke Belgen, het Nederlands (of Neder-Duits) als een natuurlijk eigendom van het volk (de moedertaal) én als hun wettige "Landtaal" aanwees ("O Belgen! uw geluk is aen die tael verbonden"). Het was ook een aansporing tot 'hernieuwde lettervlijt' ("Welaen, myn Broeders! laet ons dan die tael beminnen!"), als antidotum tegen onverschilligheid ten opzichte van de eigen taal en idolatrie van het vreemde. Willems werkte die inzichten en standpunten verder uit in zijn Verhandeling over de Nederduytsche taal- en letterkunde, opzigtelyk de zuydelyke provintien der Nederlanden (1819; 1820-1824), een vaderlandse literatuurgeschiedenis op basis van een romantische opvatting over de goddelijke en natuurlijke ordening van naties, verdeeld naar afwijkende etnische kenmerken ("zeden, gebruiken") en taalvariëteit. Het historische verhaal volgde de peripetieën van die oorspronkelijke nationaliteit en de 'inbreuk' van vreemde, inzonderheid Franse elementen.

Van Belgische naar Vlaamse literatuur (1830-1847)

De Belgische Revolutie van 1830 bracht in de verwachtingen van die jonge dichters-filologen een grote ommekeer teweeg. Na de politieke realisatie van de nationale Belgische staat en de daarmee samenhangende golf van enthousiast patriottisme, ontstond er een nationale Belgische cultuurbeweging die cohesie verleende aan het besef van een nieuwe natie en een verworven onafhankelijkheid. Voor de opbouw van dit collectief identiteitsgevoel tekenden historici, schilders en literatoren die elk op hun gebied de nationale Belgische cultuur inhoud en vorm gaven. Het was vooral een zoektocht naar een vaderlands verleden, de traditionele gebruiken, de wortels van de beide nationale talen, en naar de typische expressievormen waarmee afstand kon worden genomen van zowel de Franse als Hollandse cultuur. Ondanks het feit dat hun taal als regionaal werd beschouwd, werkten 'Neder-Duitssprekende' intellectuelen en literatoren vrij vlug mee om aan dit Belgisch cultuurnationalisme gestalte te geven. De eigenheid ervan bestond voor velen uitgerekend in de synthese van Romaanse en Germaanse elementen. Wat de literatuur betreft ontstond op die manier in de jaren 1830-1840 een Nederlandstalige naast een Franstalige Belgische literatuur. Beide vulden de nationaliteitsgedachte op een parallelle manier in. Er verschenen Belgische literair-culturele en historische tijdschriften (La Revue Belge naast Belgisch Museum) en een aantal schrijvers, zoals Hendrik Conscience werden al snel als nationale auteurs via vertalingen langs beide zijden van de taalgrens gelezen en gewaardeerd.

Willems' verzoening met de nieuwe Belgische staat (rond augustus 1834), na een periode van afzondering en professionele achteruitstelling, was symbolisch voor de wending van de Nederlandsgezinde of orangistische "taelminnaeren" in de context na 1830. Hun reflectie op de situatie van het Neder-Duitssprekende volksdeel van België bracht ze niet tot een politieke actie voor de hereniging met Holland. In hun waardeschaal plaatsten ze hun culturele rol bovenaan – ze beperkten zich tot beoefening en bestudering van de gemeenschappelijke Nederlandse letteren – en ze trachtten door hun loyauteit aan de Belgische staat en het unionisme gaandeweg vooruitgang te boeken in de verdediging van de eigen taal. In hun visie bood een taaleenheid met Nederland hiervoor de beste garantie. Hiermee kon ook het idee van een annexatie bij Frankrijk voorgoed worden bezworen. Willems inspireerde op die manier te Gent een groep gematigd liberale intellectuelen die in een idealistische sfeer zowel op literair als filologisch gebied een intense en gevarieerde activiteit ontplooide. Deze legde de basis voor een infrastructuur en een institutioneel netwerk waarmee vooral vanaf 1834 een nieuwe literatuur werd uitgebouwd. De gangbare benaming was "Nederduitse letterkunde" (het werd pas "Vlaams" in de jaren 1840) en de beoefening ervan was nauw verbonden met de studie van taal en geschiedenis. Ze richtten literair-culturele tijdschriften op zoals de Nederduitsche Letteroefeningen, onder redactie van Philip M. Blommaert en Constant P. Serrure, waarin eerstgenoemde zijn cultuurpolitiek betoog over de verwaerloozing der Nederduitsche tael (1832) publiceerde en Maria Doolaeghe haar ode Aen de Belgische Dichters. Voorts was er het Nederduitsch Letterkundig Jaarboekje, dat onder impuls van vooral Frans Rens veel jonge literatoren aan het woord liet. Er werd verder deelgenomen aan letterwedstrijden, zoals de wedstrijd die naar aanleiding van het vijfjarige bestaan van België in 1834 uitgeschreven werd, waarbij voor het Vlaamse gedeelte Karel L. Ledeganck met zijn Zegeprael van 's lands onafhanglykheid succes behaalde en de toon zette voor een vaderlandse poëzie die politieke twisten oversteeg. Verder werden genootschappen, leesgezelschappen en wetenschappelijke verenigingen opgericht die een nationaal geïnspireerde beoefening van de letteren stimuleerden. De belangrijkste waren: het Gentse lees- en lettergenootschap Maetschappy van Vlaemsche Letteroefening, met de kenspreuk "De Tael is Gan(t)sch het Volk" (1836), de te Brussel opgerichte Maetschappy tot bevordering der Nederduitsche Tael- en Letterkunde, die dankzij de gezamenlijke actie van Jan F. Willems en de Leuvense hoogleraar Jan-Baptist David regeringssteun en subsidie verkreeg voor het filologisch geleerdentijdschrift Belgisch Museum en die een belangrijke rol zou spelen in de actie voor een eenvormige spelling (bereikt in 1841 en in 1844 goedgekeurd) en de organisatie van de Nederlandse congressen (vanaf 1849). Het grote aandeel van de historische interesse bleek ook uit de oprichting van de Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen in 1839, de talrijke filologische tekstuitgaven op het gebied van de oude letteren (inzonderheid de Middelnederlandse) ter stimulering van het nationaal gevoel verzorgd door Willems (onder andere met de moderne omzetting van de Reinaert in 1834), Ferdinand A. Snellaert (met edities van Jacob van Maerlant, Jan van Boendale) en vele anderen. Daarbij hoort ook de verzameling van kennis over volksgebruiken, spreekwoorden en Oude Vlaemsche Liederen (van Willems, in 1848 door Snellaert voltooid).

De continuïteit van een nationale taal- en letterkunde werd door diezelfde filologen ook gedemonstreerd in de eerste grote literatuurgeschiedenissen die in Vlaanderen geschreven werden door Willems en Snellaert (Verhandeling over de Nederlandsche dichtkunst in België, eerste uitgave 1838, en Schets eener geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, 1850), later door Frans de Potter (in 1854 en 1858). Tegen de na-aperij van "Frans uitschot" die het land "overstroomde" (Willems) en de Nederlandse overregulering wees men met trots op meesterwerken uit het verleden en een eigen traditie van letteroefening die een garantie boden voor vrijheid en onafhankelijkheid. De filologen zochten toenadering met de Noorderburen van wie ze steun verwachtten in hun nationaal-culturele actie (zoals Snellaert met de literatuurhistoricus Willem J. Jonckbloet en Jozef A. Alberdingk Thijm, die later ook met Guido Gezelle contacten zou hebben). Ze hadden ook veel interesse voor verwante taal- en cultuurgemeenschappen in het buitenland, zoals al van bij het begin voor Scandinavië. Maar hier vonden ze vooral inspiratie en steun voor hun eigen, nationale taal- en cultuurbeweging. De aandacht voor de taal stond centraal: "De grond eener volksonafhanglykheid ligt in de tael", schreef Snellaert. Die overtuiging werd ook ondersteund door de geliefde dichters uit de eigen omgeving, waarbij vooral Prudens van Duyse en Karel L. Ledeganck de kroon spanden. Van Duyse, bijzonder populair als gelegenheidsdichter en improvisator, behandelde het nationale thema in een postclassicistische vorm en in zeer diverse genres als het episch gedicht (balladen, romances, legenden en sagen), in historische evocaties waarin nationale helden uit het verleden zoals Egmont verheerlijkt werden, en Middelnederlandse pastiches (verzameld in zijn Vaderlandsche Poëzy van 1840). Ledeganck, die veel aandacht had voor het sentimentele en sombere karakter van de romantiek in het buitenland en de formele aspecten van de poëzie – die hij zeer tegen de zin van critici als David als vrijblijvende "verpoozing" omschreef – leverde met zijn "Vaderlandsche trilogie" De drie Zustersteden nog het meest representatieve product van de nationale literaire romantiek in Zuid-Nederland. De "heerlykheid der dagen van voorheen" plaatste hij in schril contrast met het hedendaagse verval van de roemrijke steden Gent, Brugge en Antwerpen. Ledeganck spoorde zijn lezers aan het contact met een verleden van welvaart en trotse onafhankelijkheidszin weer op te nemen door een bewuste cultus van de eigen etnische aard en taal. De tekst dateert van 1846 en spreekt al voluit in termen van een Vlaams bewustzijn.

Parallel met de evolutie te Gent onstond er ook literaire bedrijvigheid te Leuven, waar met de vestiging van de heringerichte Katholieke Universiteit in 1836, vooral Jan-Baptist David (1801-1866), hoogleraar Nederlandse taal en letterkunde, als promotor van de nationale letteren optrad. Hij deed dat door op een typische manier actief te zijn op diverse gebieden, als literair criticus, uitgever van Middelnederlandse teksten (vooral met zijn belangrijke editie van de volledige werken van Jan van Ruusbroec, (1858-1868), taalkundige, vertaler en historicus. In oktober 1836 werd te Leuven het "taal- en letterlievend" studentengenootschap Met Tijd en Vlijt opgericht waarin ook in nationale geest de vaderlandse letterkunde beoefend werd.

De meest invloedrijke activiteit ging echter uit van een Antwerpse groep jongere auteurs die omstreeks 1840 debuteerde en haar stempel heeft gedrukt op het profiel van een Vlaamse literatuur. In tegenstelling tot de Gentse groep die voor literaire voorbeelden vooral in de richting keek van Nederlandse auteurs als Willem Bilderdijk, J.F. Helmers en R. Feith, liet de Antwerpse groep zich inspireren door de Franse romantiek. Ze richtte zich meer op het gevoel, de spontane inspiratie die uitging van onder andere enkele verwante vaderlandse schilders en historici, en de impulsen van het artistieke groepsleven. Het waren genootschappen met een relatief gesloten karakter die bruisten van activiteit en steunden op solidariteit, maar die ook kwetsbaar waren door interne concurrentie. De leden van de Antwerpse groep waren van bescheiden sociale afkomst en bezaten minder intellectuele allure; hun zeggingskracht putten ze eerder uit een appèl op onberedeneerde geestdrift en exuberantie. Met de oprichting van de rederijkerskamer De Olijftak in 1835 werd het startsein gegeven. Pioniers waren onder anderen Theodoor van Ryswyck, die in 1837 geestige en populaire verhalen in versvorm publiceerde (Eigenaerdige verhalen, in 1844 aangevuld met de meer bekende Politieke refreinen), waarin hij zich in hekeldichten, puntdichten en zedenspreuken richt op de actualiteit en op satirische toon de draak steekt met franskiljons, bastaard-Belgen en Gallomanen. De Vlamingen worden op volkse toon tot verzet en weerbaarheid aangezet, waardoor in die teksten toch al een emotionele kloof wordt opgebouwd met de Franstalige Belg die in patriottisme moet onderdoen voor de "Belgen van de Noorderkant". Verder ging vooral van Jan J. de Laet (pseudoniem: Johan Alfried) een grote impuls uit. Vertrouwd met de nieuwe ideeën van zijn tijd – hij debuteerde in het Frans in het Brusselse tijdschrift L'Artiste dat principes als vrijheid, gevoel en verbeelding hoog in het vaandel voerde – speelde hij een belangrijke rol in de progressieve Antwerpse kunstenaarskring. De Laet schreef onder andere Aen de Dichters (1839) waarin hij het "moedloos volk" van nu opnieuw tot de grootsheid van eertijds wilde aansporen. Daarnaast stimuleerde hij Hendrik Conscience die in 1837 debuteerde met de historische roman In 't Wonderjaer (1566). Conscience introduceerde hiermee een genre uit de Franse literatuur, maar ontdeed dat meteen van het odium van immoraliteit dat er conform het nationalistisch discours op rustte. Deze ombuiging bleek zeer succesrijk, getuige de bijval voor zijn tweede historische roman, De Leeuw van Vlaenderen of de Slag der Gulden Sporen(1838). Ontdaan van de "Franse ontucht", bleek dit genre een probaat middel tot bewustmaking van de macht van een Vlaamse (sub)natie die enkele jaren later (vanaf 1840) aanspraak zou maken op politieke gelijkberechtiging. De functie loopt hier parallel met die van de historiografie en de vaderlandse schilderkunst. Bovendien was de historische roman ook een ideale vorm tot verheerlijking van een morele code die Conscience systematisch met een specifiek Vlaams-nationaal bewustzijn binnen een Belgisch patriottisme verbond: een ingeboren onafhankelijkheidszin ("De Vlaming verdraagt geen overheersing"), individualisme, ondernemingszin, godsdienstigheid, maatgevoel. Conscience wist deze deugden ook naadloos te verbinden met de burgerlijke code van zijn potentieel publiek, de betere Vlaamse middenklasse die zich afzette tegen de Franse importcultuur. Het succes bij het nieuwe Vlaamse publiek belette de succesauteur echter niet ook het profiel aan te nemen van onbesproken patriot en symbool van de nationale Belgische literatuur. Dit bleek onder meer uit van overheidswege gesteunde en gesubsidieerde opdrachten, zoals zijn Geschiedenis van België (1845), waarin hij voor zijn Vlaamse lezer de geschiedenis ontrolde van de Belgen, zinnebeeld van "vreedzame vrijheidsmin" en "vlijtige nijverheid". De Vlaamse historische roman evolueerde overigens parallel met de beoefening van het genre in de Frans-Belgische literatuur, met auteurs als Henri Moke, Felix Bogaerts en Jules de Saint-Genois des Mottes. Een nationaal thema zoals dat van Jacob van Artevelde, door Conscience in heroïsch-individualistische termen verwerkt in zijn historische roman van 1849, was ook onderwerp van een algemene culturele en wetenschappelijke belangstelling. Historici hadden al aandacht voor de figuur vanaf 1812 (Lenz, Voisin), hij was het onderwerp van een toneelbewerking (Hippoliet van Peene), van dichtwerken (Theodoor van Ryswyck, Geeraard-Jan Dodd en anderen), van een historische stoet, van een borstbeeld (P. de Vigne, 1845) et cetera. Het nationale thema in Vlaamse literatuur ontwikkelde zich duidelijk op een draagvlak van een algemeen cultureel renouveau.

In het spoor van Conscience werd het succesrijke genre van de historische roman in Vlaanderen nog intensief beoefend door onder anderen Lodewijk Gerrits, Pieter Ecrevisse en August Snieders (met speciale interesse voor de periodes van de Middeleeuwen en de Opstand van de Geuzen tegen Spanje in de 16de eeuw en de tijd van de Franse bezetting) tot op het moment (rond 1848) dat de historische roman in concurrentie kwam met de eigentijdse zedenroman. Vanaf ongeveer 1840 was er ook stilaan sprake van een Vlaamse toneelliteratuur die zich trachtte te distantiëren van buitenlandse modellen. Auteurs als Emmanuel Rosseels, Karel Ondereet en Hippoliet van Peene bouwden vanaf dan aan een eigen repertoire dat gericht was op eenvoud en natuurlijkheid en waarin het behoud van het Vlaams zelfbewustzijn werd geïdealiseerd, in contrast met antimodellen. Geliefde thema's waren de gevaren van "ontvlaamsing" en de vervreemding van de etnische aard (zoals in De verfranschte landmeisjes van Rosseels en De Gallomanie of de verfranschte Belg van Ondereet, beide uit 1841). De hekeling van de verfransing was overigens een thema dat ook in de poëzie en de prozaliteratuur herhaaldelijk opdook, zoals in het hekeldicht De Fransquillonnade of dichtproef op de verbasterde Belgen, de Fransquiljons en Cie (1842) van de priester Constant Duvillers, in de refreinen van Van Ryswyck en in de bijzonder populaire zedenschets van Conscience, Siska van Roosemael (1845). Overname van Franse levensvormen, mode en taal stond hier gelijk met 'zedenbederf' en de teloorgang van een ethische fatsoenscode waarvan de auteur de desastreuze gevolgen voorspiegelde.

Nationale functies van literatuur

Dat het ontstaan van een Vlaamse literatuur zo nauw verbonden was met de rol van bewustmaking van de Vlaamse identiteit en natiegevoel (binnen het Belgische staatsbestel en natiebesef) had niet alleen te maken met de opbouw van een infrastructuur, het werk van de creatieve auteurs, de taal en de thematiek, maar ook met de functiebepaling ervan. Dit aspect is het domein van de literaire kritiek en de poëtica. In de beginfase werd aan literatuur de taak toebedeeld mee te werken aan de verdediging van de zelfstandigheid van het Belgische vaderland. Zoals blijkt uit de kritische beschouwingen van Jan-Baptist David in De Middelaer, werd vooral aan de Neder-Duitse literatuur een eersterangsrol toebedeeld, omdat die meer dan de Franstalige literatuur in België de Belgiciteit wist te vertolken. De Vlaamse component werd als de meest authentieke van het meertalige België beschouwd en de gewenste "versmelting" van beide "volksstammen" kwam er eigenlijk op neer dat de "Walen" zouden meewerken aan de strijd tegen de Franse verdrukking. Vanaf 1840 lag het accent echter meer op de Vlaamse eigenheid binnen het Belgische geheel. Vlaamse literatoren en critici doen daarvoor een beroep op het begrip cultuurnatie naar Duits model (J.G. Herder), waarbij aan een natie etnische kenmerken worden toebedeeld, zoals een gemeenschappelijke geschiedenis, afstamming, religie en taal. Literatuur wordt dan in dienst gesteld van de ontvoogding van het Vlaamse volk en de bescherming van het volkskarakter en de traditionele eigenheid, zoals die tot uitdrukking komt in voorvaderlijke zeden, gebruiken en rituelen. Kritieken van David en redevoeringen van Jan F. Willems te Gent in 1841 en (vooral) te Brussel op het feest van Het Taelverbond in 1844 laten die accentverschuivingen zien. Ferdinand A. Snellaert schreef in diezelfde zin in het Kunst- en Letterblad of Pieter F. van Kerckhoven in De Vlaemsche Rederyker. Die etnisch-nationale functie die aan de Vlaamse literatuur wordt toegeschreven is niet los te denken van opvattingen over het nut en de beschavingsfunctie van literatuur binnen een typisch 19de-eeuwse optimistische vooruitgangsideologie. Vaderlandsliefde, het streven naar waarheid en respect voor de typische volksaard (zedelijkheid, godsdienstigheid) werden pijlers in de beschavingsopdracht van de 19de-eeuwse Vlaamse auteur die de moeilijke taak kreeg toebedeeld esthetische eisen te verzoenen met een nationale én ethische eis. De opbouwende taak van de Vlaamse literatuur had als bijkomend effect dat de literaire kritiek een doorgaans behoudend karakter had en dat er in de vele kritieken dan ook een conservatieve reflex te bespeuren viel tegenover nieuwe ideeën en literaire stromingen in het buitenland: dit betrof Schwärmerei en de immorele excessen van de (inzonderheid Franse) romantiek en het overdreven en gezocht 'lelijke' realisme dat strijdig was met de 'gezonde' realiteitszin van de Vlaamse kunst. Conform de Vlaamse volksaard was die gericht op zedelijke schoonheid, rechtzinnigheid en maat. Later zou dit zelfs leiden tot de afwijzing van het Franse naturalisme, een "vuilschrijverij" die enkel "op passies aast" en die de gemiddelde Vlaamse lezer alleen maar kon afstoten. In de jaren 1850-1870 werd op die manier gezocht naar een compromis tussen het volksnationalisme, dat de ontwikkeling van eigen cultuurvormen tegen 'verbastering' door externe invloeden nastreefde, en een eigentijdse beleving van de cultuur. De eclectische synthese die gezaghebbende critici als Peter Benoit, Julius Sabbe, Juliaan de Vriendt of Hugo Verriest in de jaren 1970 met de nationaal gefundeerde Vlaamse esthetiek wisten te bereiken, combineerde de traditioneel-romantische idee van een nationale en volksverbonden kunst met de positivistisch geïnspireerde denkbeelden over een determinerend complex van fysische, sociale en culturele factoren. De artistieke creatie werd essentieel begrepen als de expressie van het oorspronkelijk individu in zijn natuurlijke verbondenheid met de 'raseigenaardigheid' van het volk. Dergelijke opvattingen waarin volksnationale creatieve principes centraal stonden hebben in Vlaanderen tot in de 20ste eeuw hun nawerking gehad.

Ideologische verdeeldheid (1847-1880)

De meest markante evolutie in het nationale gehalte van de Vlaamse literatuur – van Belgisch naar Vlaams cultuurnationalisme en uiteindelijk meer in de richting van een autonoom en artistiek gefundeerde praktijk – liep parallel met de politieke assimilering van de V.B. Naarmate die zich meer op het politieke terrein bewoog – met concrete eisen voor de wettelijke regeling van de tweetaligheid in Vlaanderen: het petitionnement in 1840, de Grievencommissie in 1856 – werd aan literatuur een meer afgebakende culturele rol toebedeeld. Dit leidde tot de noodzaak van een esthetisch-artistieke fundering. Het politieke engagement van Vlaamsgezinde literatoren (Jan J. de Laet nam in de jaren 1844-1848 zelfs afscheid van de literaire wereld en werd journalist en politicus) betekende echter niet dat de literatuur zich aan die politieke sfeer kon onttrekken, integendeel. De verankering van Vlaamsgezinden in de politieke structuur van de Belgische maatschappij bracht mee dat de V.B. de interne partijpolitieke opposities ervan overnam. Het betekende zelfs dat het einde van het politiek unionisme rond 1846-1847 ook de unanimiteit in de rangen van de Vlaamsgezinden en Vlaamsgezinde literatoren voorgoed doorbrak. De toenemende politisering uitte zich in een ideologische opsplitsing in het literaire veld.

De eerste sporen hiervan waren overigens reeds aanwezig in accentverschillen in de interpretatie van het Belgisch cultuurnationalisme na 1830. In katholieke kringen zag men ook in de opbouw van een nationale literatuur een waarborg tot vrijwaring en ontplooiing van de traditionele godsdienstigheid tegen elke vorm van 'vreemde' progressie en secularisering. Liberale groepen vulden ook diezelfde functie in, maar dan eerder in termen van verlichting en laïcisering. Ook literaire teksten gaven vorm aan die verschillende denkbeelden. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de historische roman. "Wy Vlamingen hebben eene geschiedenis", schrijft Hendrik Conscience in het voorwoord van zijn roman De Leeuw van Vlaenderen, maar die collectieve geschiedenis van land en volk had toch vele gezichten. Net zoals er in de historiografie rivaliserende vaderlandse geschiedenissen ontstonden (David versus Frans H. Mertens en Karel Torfs voor de geschiedenis van Antwerpen) werden ook historische romans geschreven die feiten uit eenzelfde episode uit de vaderlandse geschiedenis, bijvoorbeeld de rebellie van de Nederlanden tegen Spanje in de 16de eeuw, de Geuzenopstand en de beeldenstorm (1566), op heel verschillende wijze met fictie verbonden. De Laet deed dit in Het huis van Wesenbeke (1842) met veel gevoel voor sfeer en verbeelding in liberale en antikatholieke zin, waardoor hij zich de kritiek van Jan-Baptist David en August Snieders op de hals haalde. Hetzelfde gegeven (de vrijheidsstrijd) verhaalde Conscience in 1837 in In 't Wonderjaer (1566), met aandacht voor intrige, couleur locale en spanningsopbouw in liberaal-katholieke zin, maar in 1843 herschreef hij de roman (Het Wonderjaer (1566) in strikt katholieke zin, waarbij hij zich aanpaste aan een overheersend geworden katholieke opinie. De kritiek op deze ommezwaai geuit door Pieter F. van Kerckhoven was slechts één symptoom van een groeiende onenigheid en verdeelheid onder Vlaamsgezinde auteurs die in de Antwerpse groep op zeer aperte wijze tot uiting kwam in scherpe kritieken, pamfletten (zoals De Vlaemsche Beweging van Van Kerckhoven uit 1847) en in de felle polemiek in de jaren 1847-1848 tussen het satirische weekblad De Roskam, van katholieke signatuur (met Lodewijk Vleeschouwer, De Laet en Conscience) en het liberale schotschrift De Schrobber, waarvoor Van Kerckhoven tekende. Ondanks pogingen van individuen (zoals Conscience en Snellaert) en verenigingen (zoals Voor Tael en Kunst te Antwerpen) om boven die partijstrijd opnieuw een eensgezindheid te bereiken, was het onvermijdelijk dat vanaf 1848 ook Vlaamse literatoren voor de verdediging van de Vlaamse belangen zich in de richting van ofwel de liberale ofwel de katholieke partij moesten wenden. De radicalisering zette zich door na 1860, met een groeiende meerderheid van Vlaamsgezinden bij de katholieke opinie.

Op die manier was het mogelijk dat met de invoering van een gematigd realisme in de Vlaamse literatuur in de jaren 1860, waarin Domien Sleeckx zowel als theoreticus als in de praktijk een belangrijke rol speelde, auteurs geassocieerd werden met een duidelijk Vlaams-katholiek of Vlaams-liberaal profiel. Inzake proza gold dit zeker voor de Antwerpse journalist August Snieders. Zijn realistische zedenschetsen met een sterk ethisch gekleurde kritiek op de hogere stand, het stadsleven en de verfransing (Brussel is in De nachtraven een vervreemde stad "waarheen de riolen van Parijs hun draf en slijk drijven") waren tegelijk een onverholen lofprijzing op het traditioneel-katholieke Vlaanderen. Zijn historische romans bevatten een mengeling van idealisme, tendens en historische waarheidsgetrouwheid. Op den toren (1869) verhaalt een episode uit de Boerenkrijg, maar vanuit een fel antirepublikeinse optiek wordt de volkse vrijheidsstrijd in een traditie geplaatst van verzet tegen de aantasting van de voorvaderlijke godsdienst. Aan de andere pool ontwikkelde zich een literatuur met een even duidelijke tendens, maar nu van liberale tot antiklerikale signatuur. In de romans Een Vlaamsche jongen (1878) van Amand de Vos of In onze Vlaamsche gewesten. Politieke schetsen (1877) (die Virginie Loveling onder het pseudoniem van W.E.C. Walter publiceerde) wordt in de politiek geladen sfeer van de schoolstrijd vooral de overwegende rol van de geestelijkheid en de klerikalisering van Vlaanderen aan de kaak gesteld. Bij de Antwerpenaar Julius de Geyter is het literaire werk niet los te maken van zijn intense politieke activiteit in militante liberaal-vrijzinnige organisaties (Geuzenbond, 1872) en culturele verenigingen (zoals De Olijftak) waarin hij het overwicht van de katholieken in de politieke V.B. trachtte te bestrijden. Zijn liberale, democratische en Groot-Nederlandse opvattingen zijn ook rechtstreeks te verbinden met zijn groots opgezette epische gedichten (waarvan het bekendste is Keizer Karel en het Rijk der Nederlanden, 1888), antiklerikale strijdliederen (Het Geuzenlied, 1873) en cantates waarmee hij meewerkte aan de nationale muziekbeweging van Peter Benoit. Julius Vuylsteke, medeoprichter van het Gentse studentengenootschap 't Zal wel gaan dat onder impuls van zijn mentor Jacob F. Heremans ontstond, publiceerde somber-ironische poëzie in de literair gerichte almanakken van de vereniging, maar dit staat in de schaduw van een politieke activiteit waarmee hij het Willemsfonds in uitsluitend liberale zin omboog, en zijn politiek-theoretisch werk waarmee hij de congruentie-idee van liberalisme en Vlaamsgezindheid bekendmaakte ("Klauwaard en Geus"). Als algemeen secretaris trachtte hij vanaf 1862 via voordrachten en bibliotheken de bredere volksmassa voor zijn ideeën te winnen, een actie die door de rivaliserende katholieke opinie beantwoord werd met een parallel cultureel netwerk van katholieke bibliotheken (in Brugge bijvoorbeeld rond 1865) ter promotie van de volkslectuur. De meest consequente poging uit die tijd om literaire teksten te verbinden met een democratische en Vlaamsgezinde actie in het kader van de sociale arbeidersbeweging is te vinden bij Emiel Moyson (Liedjes en andere verzen, 1869). Deze bundel ging veel verder dan de verontwaardiging en de sociaal-paternalistische bekommernis die bij de gemiddelde Vlaamse auteur in de 19de eeuw (en het meest uitgesproken bij Eugeen Zetternam) te vinden was.

In die jaren van politieke polarisering werd de hoofdstroom gevormd door auteurs die voorzichtige pogingen ondernamen om de literaire techniek meer verfijning en authenticiteit te verlenen, los van regeldwang en overdreven idealisme. In de poëzie ging een vernieuwende impuls uit van de Middelnederlandse pastiches van de Duitse dichter August Hoffmann von Fallersleben (Loverkens, 1852) die de directe eenvoud van het oude volkslied in herinnering brachten ("Vlaenderen, dach en nacht/ denc ic aen u"). Als auteurs als Johan M. Dautzenberg al eens uiting gaven aan liefde voor hun taal dan gebeurde dat in het vervolg wel in een meer formeel beheerste en sobere vorm. De dichter Jan van Beers schreef zeer populaire eenvoudige epische taferelen uit het Antwerpse volksleven (Begga, 1868), Frans de Cort introduceerde in 1862 de volksliederen van de Schot John Burns. Dit neemt niet weg dat in poëtische lofzangen op Vlaanderen van liberaal of katholiek geëngageerde dichters – zoals in de liederen en oratoria van Emanuel Hiel of in de christelijke epen van Lodewijk de Koninck – de traditionele heldhaftige en hoogdravende toon gehandhaafd kon blijven. De realisering van de eerste Vlaamse taalwetten tussen 1873 en 1878 (over het taalgebruik in het gerecht en de centrale administratie) gaven ook aanleiding tot een momentane heropleving van de vaderlandse poëzie, onder anderen van de latere Tachtiger en estheet Victor A. dela Montagne: Onze Strijd van 1875.

Veruit de meest overtuigende authenticiteit werd gerealiseerd in het werk van de West-Vlaamse priester Guido Gezelle, die tussen 1858 en 1862 met zijn bundels Vlaemsche dichtoefeningen en Gedichten, gezangen en gebeden resoluut de heersende (Franse en Duitse) stijl en de onnatuurlijke, retorische dwang doorbrak. Hij deed dit met gedurfde, oorspronkelijke en romantisch geïnspireerde poëzie die niet alleen vooruitstrevend en zelfs experimenteel van karakter was, maar die ook aanknoopte bij een oude, autochtone literaire en spirituele traditie. De basis hiervoor was de systematische ontginning van de creatieve kracht van de nog voortlevende oude volkstaal, de orale taal waarvan hij de bronnen via historisch taalkundig onderzoek bestudeerde, en die hij in het West-Vlaams in zijn meest oorspronkelijke vorm meende te kunnen terugvinden. In tegenstelling tot de stijve boekentaal die schoolmeesters en pseudo-dichters uit zijn omgeving gebruikten en die ze overnamen van 'pedante' (protestante) Hollandse magisters koos hij met veel overtuiging voor de 'onvervalste', oude Vlaamse taal waarin het voorvaderlijke christelijk geloof belichaamd was. Inzet voor de moedertaal betekende in die optiek zich manifesteren als christen Vlaming en de verdediging van het traditionele katholieke geloof tegen elke vorm van 'nieuwlichterij' en secularisering. Met grote zeggingskracht slaagde Gezelle erin, via zijn leraarschap te Brugge en Roeselare in de jaren 1854-1865, een hele generatie jonge katholieke intellectuelen met die ideeën te inspireren. De stellingen werden door hemzelf ook in een bitsige (en door de kerkelijke overheid gedirigeerde) journalistiek verdedigd. Kernachtige nationaal geïnspireerde teksten met propagandistische waarde oefenden ook een grote invloed uit op jongeren uit de katholieke studentenbeweging na 1875, die – zeer tegen de zin van de dichter zelf – Gezelle vereerden als de vader van hun strijdbaar en ondogmatisch flamingantisme. Talrijke teksten zijn gemeengoed geworden of werden opgenomen in de canon van het latere Vlaams-nationalisme ("Gij zegt dat 't Vlaamsch te niet zal gaan:/ 't en zal!"; "Mijn Vlanderen spreekt een eigen taal/ God gaf elk land de zijne,/ en, laat ze rijk zijn, laat ze kaal:/ ze is vlaamsch, en ze is de mijne!").

Rechtstreeks en onrechtstreeks is van Gezelle grote invloed uitgegaan op zijn leerling Hugo Verriest, zelf priester, leraar en mentor van een reeks begaafde leerlingen. Als redenaar verspreidde hij de idee van een nationale Vlaamse heropstanding ("Dat volk moet herleven"). Met zijn romantisch-religieuze kunstopvattingen en zijn pleidooi voor bezieling en waarachtigheid in de kunst (met kritisch werk in De Vlaamsche Vlagge) had hij een grote invloed op Albrecht Rodenbach. Deze jonggestorven dichter ontwierp op korte tijd een poëtica gebaseerd op vrijheid, spontane expressie en een synthetische visie op het kunstwerk, wat leidde tot een gevarieerde productie van strijdliederen, lyriek (met bekende titels als Waarheid, Abysssus abyssum invocat, De arend), epische gedichten (Sneyssens, Fierheid) en historisch dramatisch werk (Gudrun). Met een romantische visie op de rol van de volksheld ontplooide hij ook een koortsachtige activiteit als strijdvaardig studentenleider te Roeselare, waar hij de blauwvoeterij op gang bracht, en later te Leuven. Zijn vroegtijdige dood maakte van hem een legende en bezorgde hem de mythische allures van de wegbereider van een strijdend nationalisme.

Vernieuwing en reactie (1880-1914)

Vanaf 1880 manifesteerde zich in de Vlaamse literatuur een vernieuwing op ruime basis. De letterkunde maakte zich los van elke vorm van dienstbaarheid of nut, en streefde doelbewust naar onafhankelijkheid. De gehele mentaliteitsverandering kondigde zich aan in literaire tijdschriften (Jong Vlaanderen (1881-1882), Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle) en in het kritische werk van Verriest, Pol de Mont, Omer Wattez en anderen. Er werden nieuwe ideeën verkondigd over vrijheid in de stofkeuze, verinnerlijking, schoonheid en cultus van de vorm. Oude denkbeelden over idealisme en didactisme werden afgewezen. De poëzie van Hélène Swarth, Victor A. dela Montagne en De Mont heeft verfijnde, individualistische trekken. Prozawerk van Tony Bergmann en Virginie Loveling wees erop dat er zich een nieuw publiek ontwikkelde dat vatbaar was voor een relativerende toon, een sobere stijl en een verbrede thematiek waarin ook een morele en maatschappelijke problematiek aan bod kwam. Vrouwelijke auteurs speelden een grotere rol. Met Arm Vlaanderen van het schrijversduo Reimond Stijns en Isidoor Teirlinck werd de eerste poging ondernomen om het 'verisme' in onze letteren in te voeren, een niet-geïdealiseerde, maar zo getrouw mogelijke weergave van de werkelijkheid, in casu de materiële, en vooral geestelijke armoede van Vlaanderen. De vernieuwing mondde uit in het tijdschrift Van Nu en Straks (1893). Dit platform voor avant-gardekunstenaars (zowel schilders, schrijvers als illustrators) introduceerde een kosmopolitisch ideeëngoed en streefde naar een nieuwe synthese op allerlei gebieden, tussen kunst en leven, woord en beeld, individu en gemeenschap, gevoel en idee. Stilering en subtiliteit werden gecultiveerd. Men richtte zich niet meer naar het romantische verleden, maar naar het nu en de toekomst voor het ontwikkelen van een nieuwe visie. Het fin de siècle-gevoel ging gepaard met een aantrekkingskracht tot tegenstrijdige ideologieën en de verborgen domeinen van de cultuur. Hier was ook een nieuwe soort Vlaamse intellectueel aan het woord, die wars van elk provincialisme en kleinburgerlijkheid deelnam aan een internationaal klimaat en die met voldoening de Vlaamse emancipatiestrijd zag evolueren van een taal- en cultuurstrijd naar een sociaal-economische ontvoogdingsbeweging. De erkenning van een eigen Vlaamse cultuur ging gepaard met een integratie in de Europese context. Achtergrond hiervan vormde de nieuwe economische relance in de jaren 1890, de industriële inhaalbeweging in Vlaanderen en de doorbraak van de (christen)-democratie die de kaders en de massabasis vormden voor een sociaal-gerichte V.B.

Hiermee kreeg ook de nationale thematiek een andere wending. August Vermeylen leverde in enkele intelligente essays een doordacht programma voor een verruimde nationale beweging in Europees perspectief en een culturele relance die niet alleen op literatuur was gebaseerd, maar ook op een kwalitatief hoogstaand Nederlandstalig onderwijs, het wetenschappelijk, sociaal en economisch leven, de volksontwikkeling en de pers (Kritiek der Vlaamsche beweging, 1895 en Vlaamsche en Europeesche beweging, 1900). De verruiming veroorzaakte ook een opvallende vernieuwing van de Vlaamse roman. Bestaande genres, zoals de dorpsroman, werden herzien en er was nu ook plaats voor naturalistische studies, psychologische romans en ideeënromans. In concept en stijl streefde men naar een synthese van een nieuw esthetisch gevoel, het individualisme, de gemeenschapszin, het visionaire en de zintuiglijkheid. Het werk van Karel van de Woestijne, Herman Teirlinck, Cyriel Buysse en Stijn Streuvels illustreert die wending. Voor de Van-Nu-en-Straksers werd dit in ideale vorm gerealiseerd in Starkadd (1898), het magnum opus van Alfred Hegenscheidt, waarin hij zijn organisch-dynamische opvatting van het leven als rythmus in een groots wagneriaans lyrisch drama tot uitdrukking brengt.

De strikt sociale filosofie en de brede wending naar de sociaal-democratie liet in de Vlaamse fin de siècle-literatuur evenwel weinig sporen na. Buysse, die overigens in enkele ophefmakende artikels het bekrompen karakter van het flamingantisme ridiculiseerde en zelfs insinueerde dat het Nederlands als een inferieure taal moest worden beschouwd, niet echt geschikt voor hoger onderwijs (zoals in Flamingantisme en Flaminganten, verschenen in De Amsterdammer, 1897), plaatste wel in 'n Leeuw van Vlaanderen (1900) een politicus met christen-democratische sympathieën tegen de achtergrond van de sociaal-politieke constellatie in Vlaanderen aan het eind van de 19de eeuw, maar het ging toch nog eerder om een Bildungsroman van een bewogen individualist. Van de hand van de door Buysse beschreven politicus Hector Plancquaert verscheen wel de geëngageerde sociale roman Jan Vleminx. Een verhaal uit den tijd van de opkomst der Christene Democraten in Vlaanderen (1910), maar die miste dan weer het literaire vermogen van Buysse.

Het pleidooi voor een culturele, geestelijke en intellectuele verruiming in het Brusselse epicentrum kende in Vlaanderen geen vanzelfsprekend vervolg. Het tijdschrift Vlaanderen (1903-1907) ging verder op de ingeslagen weg en een groep auteurs rond het kosmopolitische tijdschrift De Boomgaard (1909-1911) vernieuwde het estheticisme door aan te knopen bij internationale stromingen als de Franse decadentiecultuur en het dandyisme (met André de Ridder, Paul-Gustave van Hecke en anderen). Er was ook nog een late, maar overtuigende manifestatie van het naturalisme met Reimond Stijns' Hard labeur (1904), maar er kwam ook reactie. Door volksvertellers werd gestreefd naar een herstel van het provincialisme, het realisme en schilderachtige streekliteratuur vol humor en anekdotiek (Lambrecht Lambrechts, Alfons Jeurissen). Ook de goedmoedige, pittoreske romans van Maurits Sabbe (De filosoof van 't sashuis, 1907) en Lode Baekelmans (Tille, 1912) waren bijzonder populair. De nationale thematiek verscheen in het debuut van de dichter René de Clercq (Gedichten, 1907), maar dan weer op een traditionele manier, met opgewekte liedjes in volkse trant (Tinneke van Heule en andere).

De Katholieke Vlaamse Studentenbeweging had sinds 1880 een jonge generatie katholieke intellectuelen gevormd. Zij waren, met steun van het politieke overwicht van de katholieke partij sinds 1884, de voedingsbodem voor een nieuw cultureel elan in katholieke kringen rond de eeuwwisseling. Deze katholieke kringen hadden een bredere sociale en wijsgerige belangstelling. Leuven werd een belangrijk intellectueel en cultureel centrum waar de neoscholastiek werd geïntroduceerd. De katholieke reveilbeweging reageerde ook tegen het materialisme van het fin de siècle en de sterke invloed van de vrijzinnigheid in de Vlaamse cultuur. Onder impuls van August Cuppens, de essayiste Maria Belpaire, Lodewijk Scharpé en Emiel Vliebergh ontstond in 1900 het gefusioneerde tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. De belezen criticus Jules Persyn (die in 1912 zijn driedelige biografie Schaepman aanvatte) introduceerde er een Europees georiënteerde kritiek en trad er in debat met zijn vrijzinnige opponent Vermeylen. In het katholieke Jong Dietschland werd een strakkere houding aangenomen. We vinden er opnieuw ideeën over de dienende rol van de kunst en literatuur in het perspectief van een na te streven christelijke waarheid. Lodewijk Dosfel en Cyriel Verschaeve propageerden er een visionair en heroïsch wereldbeeld. Verschaeve maakte er ook opgang met symbolische en abstracte poëzie, zoals Zeesymfonieën (1911), gericht op het goddelijke en absolute. Binnen het kader van het cultureel-wijsgerige debat van het eerste decennium van de 20ste eeuw in Vlaanderen valt ook de oprichting van het algemeen cultureel tijdschrift De Vlaamse Gids (met Max Rooses, Pol de Mont en Paul Fredericq). Dit tijdschrift meldde zich aan als een forum voor liberaal-vrijzinnige Vlaamsgezinden die onder andere opkwamen voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Dat de ideologische tegenstellingen opnieuw zeer actueel waren, bewijst de rel en de polemiek die ontstonden naar aanleiding van de toekenning van de vijfjaarlijkse prijs voor Nederlandse letterkunde (periode 1905-1909), die voor de tweede opeenvolgende keer naar Stijn Streuvels ging. Dat de in aanmerking komende auteurs Buysse en Vermeylen niet werden gehonoreerd was reden genoeg voor een referendum, door De Boomgaard onder Vlaamse auteurs georganiseerd, een ophefmakend speciaal Buysse-nummer van het tijdschrift in 1911 en bitsige polemische bijdragen van vrijzinnigen aan het adres van katholieke juryleden. De vernieuwing van vóór 1900 had blijkbaar de culturele posities niet fundamenteel gewijzigd.

De Eerste Wereldoorlog en het interbellum

De internationale golf van het expressionisme in plastiek en literatuur bereikte Vlaanderen vlak voor de Eerste Wereldoorlog 1914-1918. Daardoor viel deze humanitaire boodschap samen met het leed van een ramp buiten elke bekende proportie, en met de Frontbeweging en het activisme. In een buitengewoon intens literair leven constateerde men de onmogelijkheid van individualistische kunst in een wereld die in zijn voegen kraakt. Kunst en maatschappij worden één, 'gemeenschap' was het parool van het expressionistische tijdschrift bij uitstek, Ruimte, waarvan de inleiding opgesteld werd door Herman Vos, de latere redacteur van De Ploeg, strijdblad voor amnestie. Integratie in de gemeenschap was ook het parool bij dichters als Wies Moens (De Boodschap, 1920) of Achilles Mussche (De Twee Vaderlanden, 1927). Bij Karel van den Oever treft het verlangen naar Vlaams leven, terwijl hij de oorlogsjaren in het vrije Nederland doorbracht. Deze effusies van drang naar recht en pacifisme zijn ook karakteristiek voor Ter Waarheid, het blad van Joris van Severen.

Vooral de lyriek profiteerde van dit jonge en krachtige elan. De vormgeving zette in met Paul van Ostaijens Music Hall (1916), om terecht te komen bij het typografisch en poëtisch uniek experiment Bezette Stad (1920), waarmee hij zich opwierp tot de meest markante persoonlijkheid van zijn generatie. Hij is de auteur van een programmatisch geschrift over de V.B., gaf menige prik in het Belgisch staatsbestel (zeker in de groteske Bende van de Stronk) en raakte in verbanning wegens deelneming aan de activistische beweging.

René de Clercq, die in 't begin van de oorlog Belgisch-patriottische liederen schreef, evolueerde onder invloed van de omstandigheden tot 'de' bard van het Vlaamse activisme (De Noodhoorn, 1916) en schreef felle protestpoëzie die in liedvorm zeer populair werd. Niet minder invloedrijk in flamingantische kring zou het lyrische proza van de student Moens worden die wegens activisme in de gevangenis terechtkomt en daar zijn Celbrieven schrijft (1920). Dit proza wekte geestdrift en medeleven voor het gestrafte flamingantische idealisme. Later zou Moens in heel wat retorischer verzen zijn 'volksverbonden' en Groot-Nederlands ideaal belijden en een voorman worden in de verrechtsing van de V.B. Een belijdenis van betekenis bracht ook Marnix Gijsen in zijn Loflitanie van den Heiligen Franciscus (1920), waarin het spreekwoordelijk geworden heimwee naar een "vaderland om te beminnen" doorklinkt. Een moment van grote ontroering, zowel links als rechts, en dat meer dan één dichter naar de pen doet grijpen, is de dood van Herman van den Reeck, de manifestant die op 11 juli 1920 op de Antwerpse Grote Markt in dubieuze omstandigheden door een politieman werd neergeschoten.

Bij het proza uit die periode moet allereerst een merkwaardig en invloedrijk boek genoteerd worden, ditmaal uit de frontlinie. Jozef Simons had zijn roman Eer Vlaanderen vergaat reeds klaar in 1923 maar publiceerde hem, omdat het nationalistische weekblad Vlaanderen (1922-1933) niet tot opname kon besluiten, pas in 1927 onder de schuilnaam van Ivo Draulans.

In dit vlotte verhaal, waarin de evolutie van vertegenwoordigers uit een landelijke gemeenschap naar een revolutionaire situatie wordt geëvoceerd, roept de auteur de nijpende vraag op, of de Vlaamse frontsoldaten tijdens de krijgsverrichtingen aan de IJzer niet gewapenderhand hadden moeten ingrijpen om het goede recht van hun volk op te eisen. Het gebeurde niet en deze kans, "het uur van Vlaanderen", werd gemist (zoals trouwens ook na de wapenstilstand). Deze stelling lijkt achteraf vrij illusoir, de 'kans' was klein, aangezien de geesten anders gericht waren. Het bleek echter een aantrekkelijk literair motief dat men trouwens in de Tweede Wereldoorlog opnieuw tevoorschijn heeft gehaald, buiten de auteur om, maar dan niet om Vlaamse, maar wel om Duitse belangen te dienen. De roman, waarvan de documentaire inslag sterk is, zonder volledig historisch genoemd te kunnen worden, heeft in de tussenoorlogse jaren ongetwijfeld veel invloed uitgeoefend, zodanig zelfs dat Felix Timmermans hem ooit, in zijn voorwoord bij een Duitse vertaling van 1937 kon vergelijken met De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience.

De klacht van de Vlaamse soldaten aan de IJzer en de opstandige beweging van de activisten vonden ook een echo in een curieus satirisch werk van Timmermans, Boudewijn, een berijmd epos naar het model van de oude Reinaert, in 1917-1918 geschreven en verschenen in het Nederlandse tijdschrift De Nieuwe Gids, in boekvorm gepubliceerd in juni 1919. De allegorie toont hoe het wereldlijk en geestelijk gezag in België de Vlaamse 'ezel' onderdrukt, hem wel wil gebruiken om de aanvallende Duitse vijand te verslaan, hem daarvoor zelfs wil huldigen maar hem geen rechten wil geven. De Vlamingen zien dit zelf amper in, maar, zo waarschuwt de dichter, "als de ezel krijgt verstand, / komt er roering in het land". We vermelden hier dat in ander werk van Timmermans wel eens zinspelingen op Vlaams-nationale motieven voorkomen, bijvoorbeeld in het onder de oorlog geschreven Het Kindeke Jezus in Vlaanderen en in zijn latere roman over Pieter Bruegel.

We vermelden hier ook de memorabilia van August Borms en De Lotgevallen van een Activist (1931) van Karel Angermille. Een niet te veronachtzamen bijdrage tot deze repressie-literatuur zijn de hartstochtelijke en bittere Muurkrabbels (1920) van Noordling (pseudoniem van Jan van der Ven). Een andere activist, Leo Meert, schreef in 't begin van de jaren 1920 in zijn Duitse verblijfplaats een roman, De nood van 't land (1925), waarin hij de sfeer oproept bij uitgeweken activistische leiders, met als zedenles: "Alleen op de puinen van het centraliserende België, kan er een zelfstandig Vlaanderen verrijzen." In de verte schemerde de idee van een "nauwer aansluiting der Dietse volkeren".

Een meer bekend geworden auteur en algemeen erkend als een belangrijk literator, de relatief afzijdige Raymond Brulez, broer van twee bekende activisten, heeft anderdeels de atmosfeer van toen opgeroepen in zijn romans Het huis te Borgen (1950) en vooral Het pakt der triumviren (1951), waarbij Borgen voor Blankenberge staat en triumviren voor drie in de Eerste Wereldoorlog verschillend denkende jeugdvrienden. Deze romans behoren tot de reeks "Mijn woningen" waarin Brulez treffend de tijdgeest in een bepaalde Vlaamse burgerij uit het begin van de 20ste eeuw typeert.

Bij dit alles sluit de machtige toneelbeweging van Oscar de Gruyter aan, die kans zag in het Fronttoneel en in Het Vlaamsche Volkstooneel het theater van amusement naar kunst op te vijzelen. Het vlaggenstuk van het Volkstooneel werd een nationaalgetinte Tijl van Anton van de Velde. Ook in de toneelstukken van de oorlogsinvalide Paul de Mont, onder meer in zijn populaire Reinaert-versie, komen tal van politieke allusies op Vlaamse toestanden voor.

In deze jaren was de interpenetratie van literatuur en ideologie bij figuren als Lodewijk Dosfel, Jozef Muls, Cyriel Verschaeve, Dirk Vansina, Vos, Antoon Jacob enzovoort haast volkomen.

Het verhaal Laatslaapstertje (1919) van de jonggestorven Antwerpse advocaat Floris Couteele is een opwekking tot een bezielde Vlaamsgezinde vrouwen- en meisjesbeweging. Dit stilistisch geslaagd geschrift is vlak na de Eerste Wereldoorlog een stimulans geweest voor een nog weinig ontwikkeld element in de V.B., waar de echtgenote van de schrijver trouwens een rol in gespeeld heeft. Postuum verscheen van Couteele een scherp Dagboek van een Arrivist (1931) waar hij de verburgerlijking van het ideaal aanklaagt waarin volgens hem bepaalde figuren als zijn voormalige vriend Gijsen in terecht zijn gekomen.

In 1931 schreef de populaire verteller Antoon Thiry (De hoorn schalt) de eerste Vlaamse roman waarin de zaak van het activisme als enige onderwerp van verhaal en discussie stelselmatig werd behandeld. Het literair niet geslaagde maar niettemin interessante boek verscheen in november 1932 in Nederland, waarheen Thiry als een der activistische voormannen was uitgeweken en waar hij verbleef tot 1930. Het Vlaams-nationalisme van Thiry was er niet minder radicaal geworden, maar een Groot-Nederlandse idee wees hij af.

De mentaliteit en het gedrag van een dorpsbevolking bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog worden afgeschilderd in de roman Een spel van groote Kinderen, door de uitgeweken activist Jef Hinderdael gepubliceerd in 1937. Hinderdael laat zijn figuur, Van Dale, een nationalistisch redacteur, onder meer wijzen op de stamverwantschap met de Duitsers. Zijn boek wordt echter in zijn opzet ontkracht door de folkloristische en humoristische relativering der dingen.

Aan de andere zijde van het activisme staat Maurits Sabbe, wiens Kwartet der Jacobijnen (1920) ondanks de anekdotische liefdesgeschiedenis een ideeënroman is waarin de schrijver aantoont hoe de Franse Revolutie bij een van de kwartetheren, Neys (Julius Sabbe), de Vlaamse gedachte wakker roept en hoe deze persoon het Franse cultuurpatroon gebruikt als ontstekingspunt voor de Vlaamse emancipatie, die via meer en meer zelfbewuste intellectuelen een massabeweging wordt. De verwerking van het thema in een verhaal komt zelden voor, maar is hier niet nadrukkelijk genoeg om anders dan onschuldig-illustratief uit te vallen.

Belangrijk als schildering van ingrijpende oorlogsgebeurtenissen en als literair experiment is De Leemen Torens, een roman in briefvorm van Karel van de Woestijne en Herman Teirlinck, die tot zekere hoogte ook een sleutelroman is. De Gentenaar en de Brusselaar bespreken elk op hun manier zowel de verschillende aspecten van het flamingantisme als van de conservatieve strekkingen en de sociale actie. Gedeeltelijk was de roman al onder de oorlog (in 1917 en 1918) gepubliceerd in het Nederlandse tijdschrift De Gids, maar in boekvorm verscheen hij pas in 1928.

Literair gezien een der best geslaagde werken waarin de sfeer uit de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen wordt opgeroepen, is Kinderjaren van Norbert-Edgard Fonteyne, verschenen in 1939. Het gaat om vaak bitter gestemde herinneringen van een dorpsjongen uit bezet West-Vlaanderen die beseft hoezeer hij door de oorlog is getekend. De invloed van een bepaald soort van volksopvoedend activisme op het platteland wordt positief weergegeven.

Een kritisch geluid is te vernemen bij de ingenieur Tobie Claes, die in 1930 een kennelijk autobiografische roman, Frans Notelaers, schreef, waarin hij onder meer zijn studietijd memoreert. Hij merkte de diepgaande invloed van Hendrik Conscience op de studenten van zijn generatie en gaat hun groei naar een Vlaamse overtuiging na. Hij doet dit zeer ironisch en ook zeer beeldend, wanneer hij het extremisme van voor- en tegenstanders ophaalt en onder meer toegeeft dat het Nederlands in het dagelijkse ruwe taalgebruik inderdaad de naam van jargon vaseux verdient, zoals Maurice Maeterlinck het geringschattend noemde. Zo zal, later, ook de romancier Paul Lebeau ironiseren over ontwikkelde lui die in hun gedrag geen blijk van cultuur of stijl kunnen leggen (De Zondebok, 1947).

Als een curiositeit weze vermeld, dat de V.B. zelfs tot een der eerste Vlaamse speurdersromans inspireerde: Het Complot der Flaminganten (1933) van Theo Huet. In deze weinig geslaagde roman, die in Antwerpen is gesitueerd, wordt de rol van de boosdoeners gespeeld door anti-Vlaamse Belgische fascisten.

In de naoorlogse jaren groeide de literatuur in het algemeen van de V.B. vandaan. De eigenlijke accenten lagen elders, maar de resultaten en het bewustzijn werden lang ingecalculeerd. De formule van de kunst-om-de-kunst is al lang verworpen en de auteurs leefden – ook in hun meest individualistische houdingen – met het bewustzijn dat zij hun volk in zijn opgang iets moesten bijbrengen. Persoonlijkheden als August Laporta, Dosfel, Alfons Depla, Verschaeve, Ernest van der Hallen enzovoort maakten diepe indruk; een letterkunde die dood zou lopen in solipsisme en narcisme was uit den boze, zij moest sociaal zijn en bovendien internationaal, maar in contact staan met het volk waaruit zij was ontstaan en waarvoor zij toch ook in de eerste plaats bestemd was. Zo trokken de heimatroman, de ideeënroman, de sociale, de psychologische roman hun spoor verder. Dit gold zeker ook voor de historische roman.

Op de tussenoorlogse generatie had Verschaeve als drager van de Rodenbachmythe (Albrecht Rodenbach) een grote invloed. Deze was minder toe te schrijven aan zijn poëzie en toneel dan aan zijn visionaire verkondiging. Hij is de auteur van het grafschrift op de IJzercrypte ("Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand, / Hoop op de oogst O Vlaanderland") en van de IJzerbedevaart-eed ("O land van roem en rouwe...").

Een goed beeld van de geestesontwikkeling in de Vlaamse literaire wereld van de late jaren 1920 en van de jaren 1930 vindt men in het proefschrift van Lut Missinne, Kunst en Leven (1994) waarin zij de ethische en esthetische opvattingen inzake proza in Vlaamse tijdschriften en weekbladen in de periode 1927-1940 onderzoekt. In het 'literaire veld' van toen neemt zij twee verschillende tendensen waar. Een groep katholieke auteurs en critici (rond de Pelgrim-beweging en het bibliografische tijdschrift Boekengids) "wou op het eind van de jaren 1920 in het kader van een katholieke restauratiebeweging en in het verlengde van het humanitair expressionisme de katholieke idealen ook in de roman verwezenlijkt zien". Binnen die groep ontstonden verschillende strekkingen, vooral ten gevolge van het anti-dogmatische optreden van Gerard Walschap die streefde naar meer openheid en vrijheid. "Een tweede breuklijn werd gevormd door de groeiende tegenstelling tussen enerzijds vertegenwoordigers van het gemeenschapsideaal, de volkse component in de literatuur (E. van der Hallen, W. Moens, D. Vansina) en anderzijds auteurs en critici die de persoonlijkheid van de auteur vooropstelden (A. Demedts, P.G. Buckinx, R. Verbeek, J. Vercammen, P. de Vree)." In de tweede helft van de jaren 1930 zou die "volkse component" meer beklemtoond worden, onder meer in tijdschriften als Jong Dietschland (1927-1933), Volk en Dietbrand.

Volksverbondenheid groeide tot een slagwoord naarmate ook het nationalistische streven en de verrechtsing in de V.B. (en in het naburige buitenland) toenam. In dat licht kreeg de heimatliteratuur en de typisch-Vlaams geachte 'kleur' een nieuwe belangstelling. De grootste culturele vereniging van het land, het katholieke Davidsfonds, vervulde ook in dat opzicht een grote rol. Zijn 'volksboeken' van Vlaamse auteurs en geregeld ook van vertaalde Duitse heimatvertellers werden op zeer grote oplagen verspreid. In binnen- en buitenland, vooral in het Duitse taalgebied, werd Timmermans de wellicht bekendste Vlaamse schrijver: zijn roman Boerenpsalm betekende, zo'n twintig jaar na Pallieter, een nieuw hoogtepunt in zijn werk en in zijn faam.

De Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen

De 'volksverbonden' formule heeft, kort voor en in de Tweede Wereldoorlog, inzake poëzie niet veel opmerkelijks opgeleverd in verband met de V.B. Bij de dichters kunnen Bert Peleman, Karel Vertommen en Jan d'Haese worden genoemd maar vooral Ferdinand Vercnocke en Blanka Gijselen die zich door Germaanse mythen of het tijdsgebeuren lieten inspireren. Af en toe blijft een vers voorgoed in het geheugen, zoals "Vlaanderen ook de stillen werken aan u", waarin René Verbeek stelling neemt tegen buiten-literaire lawaaimakers. Verbeeck is een der belangrijkste dichters van zijn generatie, tevens promotor via zijn tijdschrift de Bladen voor de Poëzie. Als curiositeit weze hier De Brug vermeld, een werk van Marc Belloy dat in 1942 verscheen bij een collaboratie-uitgeverij, Ignis, en dat werd voorgesteld als "de eerste nieuwe-orde-roman in Vlaanderen". De auteur zag de oorlog als een onderdeel van een sociale revolutie, als een brug tussen het nieuw georganiseerde vaderland en Duitsland.

Collaboratie, oostfront en de naoorlogse repressie, uitvloeisels van de extreme richting in de nationalistische vleugel van de V.B., hebben vrij veel verzen, romans, dagboeken en andere geschriften opgeleverd, die weliswaar zelden tot de literaire hoogvliegers en trendsetters behoren maar die hier allereerst om hun informatieve waarde moeten worden vermeld.

Bij de dichters moeten vooral Peleman en Marcel Beerten worden genoemd. Peleman, wiens eerste bundels een sterke vitalistische kleur gebruikten, publiceerde in 1946 Bij zandloper en zeis waarin hij zijn geestelijke ervaring als ter dood veroordeelde in de gevangenis aangrijpend vertolkte. Beerten maakte in 1951 naam met balladen en andere gedichten (Aan de zelfkant) waarin hij zijn ervaringen in Rusland en Duitsland, daarna in de gevangenis vertolkte, trouw aan "het erfdeel van dichters en geuzen", maar vol pijn en ontgoocheling over een verloren generatie, "een treurzang voor miljoenen/ die voor een heerserswaan gestorven zijn". Beerten heeft nadien een grote rol gespeeld in de herleving van de Vlaamse uitgeverij, onder meer bij de realisatie van de Vlaamse Pockets en van de serie Twintig eeuwen Vlaanderen.

Bij de dichters uit de collaboratie moeten ook de felle protestverzen van Ward Hermans worden vermeld.

Vooraan in de rij van de naooorlogse prozawerken waarin de Vlaamse oorlogsproblematiek wordt beschreven en besproken, staat, ook om literaire redenen, Zwart en wit van Gerard Walschap (1948), een door zeer herkenbare feiten geïnspireerde, sterk geschreven roman, waarin "op verschillende niveaus de ontluistering (en verkrachting) van de vroegere socialistische idealen als volksverbondenheid, rechtvaardigheid, broederschap, pacifisme" wordt geïllustreerd maar ook de uitspraak dat collaboratie "een tragedie" is, "geen misdaad". (Jos Borré in Gerard Walschap, rebel & missionaris.)

Uit dezelfde periode stamt een destijds zeer verspreide tweedelige roman waarmee de jonge katholieke jurist Frans van Isacker in de literatuur debuteerde: De wereld verandert en Maar er is een uitweg (1948), een breed opgezette poging om de sfeer van bezetting en bevrijding te tekenen en de verschillende motieven van de 'acteurs' weer te geven. In 1951 verscheen de debuutroman van de later als cursiefjesauteur bekend geworden Jos Ghysen, Wij zeiden geen vaarwel, waarin gepeild werd naar de motieven van de collaborateurs, wat tegelijk een pleidooi voor een meer humane benadering inhield.

Trillend van verontwaardiging schreef Valère Depauw De dood met de kogel (1953), een geromanceerde geschiedenis van zijn na de oorlog terechtgestelde vriend, de katholieke politicus Leo Vindevogel. Onder het pseudoniem van Piet Canneel gaf de Vlaams-nationalistische Depauw nog meer geëngageerde repressieliteratuur in boek en blad. Ernest Claes vertelde zijn kortstondige gevangenis-ervaringen in Cel 269 (1952) en onder het peudoniem van G. van Hasselt gaf hij een paar uit de werkelijkheid gegrepen oorlogsepisodes. Een van zijn literair beste romans, Daar is een mens verdronken, is ook een der betere evocaties van het activisme in de Eerste Wereldoorlog. Niet toevallig heeft Claes dit boek in 1950 uitgegeven: het geeft de geestelijke sfeer van wat ook latere flaminganten heeft bewogen. In 1956 gaf Filip de Pillecyn Aanvaard het leven uit, een roman over een teruggekeerde oostfrontvrijwilliger die zich nog moeilijk in het naoorlogse leven kan aanpassen. Ook in dit boek wordt de invloed geschetst van oudere flamingantische dorpsintellectuelen op de jonge generatie van Vlaamsgezinden. Zowel De Pillecyn als Claes en verscheidene andere auteurs als Paul Lebeau, die na de oorlog 'moeilijkheden' kregen, gaven hun werk uit bij de speciaal voor zulke auteurs opgerichte uitgeverij De Clauwaert.

Vermelden wij nog de repressieroman Onder de toren (1959) van Marcel Matthijs (die onder de oorlog burgemeester van een West-Vlaams dorp was geweest), Christine Lafontaine (1947) van Willem Putman en een paar werken van Hermans, een der leidende figuren uit de collaboratie, die in Jan van Gent (1962) en Het land van Onan (1963) met groot engagement zijn visie uitbeeldde. Walter Roland, een oud-oostfronter, ging in Artikel 113 (1970) op zijn beurt op zoek naar motieven en verklaringen. Onder de romans die Jet Jorssen heeft gewijd aan oorlogsbelevenissen van Vlamingen, al dan niet in Duitsland, moet vooral Ballingschap (1986) worden genoemd, een roman waarvan de hoofdfiguur is gebaseerd op de activistische kunsthandelaar Lambert Jageneau (sr.), lid van de Raad van Vlaanderen die in de tussenoorlogse jaren bedrijvig was bij de in Nederland verblijvende activisten. Hij verdedigde het radicaal-Dietse standpunt en kwam in de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse collaboratie terecht.

Een bijzonder aspect van de Vlaamse collaboratie- en repressieproblematiek was de naoorlogse vlucht en emigratie van een aantal betrokkenen naar Zuid-Amerika. De romancier Herman Vos (niet te verwarren met zijn naamgenoot-politicus) vond in de wereld van die emigranten de stof voor verscheidene verhalen en vooral voor de roman Het zonnerad (1980).

Anderdeels kan hier Mijn kleine oorlog (1947) van Louis-Paul Boon worden genoemd: oorlogsfragmenten als granaatscherven waarin onder meer ook de aversie van de kleine man voor 'de zwarten' wordt opgeroepen. Witte kaproenen keren terug van Emmanuel Laureys bracht in 1950 een geromanceerd levensverhaal van de communist geworden flamingant Jef van Extergem. Een der besten uit de naoorlogse literaire generatie, Piet van Aken, die sterk sociaal geëngageerde werken op zijn actief heeft, publiceerde in 1947 Alleen de doden ontkomen. Hierin heeft hij het over de naoorlogse aanpassingsmoeilijkheden van jonge verzetslieden. Van Aken liet zich voorts inspireren door een figuur als Joris van Severen in De Verraders (1962). In hetzelfde jaar gaf Hugo Claus De Verwondering uit, eveneens door een Vlaamse collaboratiefiguur geïnspireerd en algemeen beschouwd als een vernieuwend artistiek hoogtepunt.

Het Verdriet van België

De naam Hugo Claus is verbonden met een evolutie die in de jaren 1960 sterk is doorgebroken. Modernistische strekkingen verdrongen de meer oudere literatuurvormen. Wat men kan verstaan onder 'traditionele flamingantische problematiek', deemsterde weg uit de spraakmakende literaire wereld, voor zover zij niet vermaledijd en bestreden werd als behorende tot het verfoeide establishment. Jan van der Hoeven toonde zich in zijn dichtbundel Pest-Vlaanderen (1971) verbitterd over een vermaterialiseerd, cultuurloos volk, dat in de eerste plaats toeziet hoe "de blauwvoet zijn eitjes legt in de Bank van Roeselare". Zijn werk herinnert aan een strekking in de nieuwe kleinkunst die, vooral in de jaren 1960, een bepaalde progressieve kritiek op de V.B. populariseerde (humor).

Scherpe sociale kritiek, spot met de groeiende verburgerlijking, afstandelijkheid, identiteitscrisis, later postmodernistische geest: het zijn trefwoorden die gebruikt worden als men de groeiende nieuwe situatie wil beschrijven.

Hoe in de jaren 1970 en 1980 door velen naar de 'Vlaamse reflex' van weleer werd gekeken, toont de belangrijkste roman uit die periode, waarvan de titel bijna spreekwoordelijk is geworden: Het Verdriet van België. Dit omvangrijke boek van Claus verscheen in 1983 en kende zowel in Nederland als in Vlaanderen een groot (verkoop)succes, terwijl de inhoud vooral in het Zuiden felle discussies opleverde. Verscheidene vertalingen volgden, evenals een verfilming. Het Verdriet van België is een staalkaart van de Clausiaanse schriftuur genoemd. Deze 'Bildungsroman', die de groei van een West-Vlaamse jongen in de oorlogsjaren behandelt, vertoont alle kenmerken van Claus' veelzijdig en barok taalvermogen. En van zijn vaak cynische, soms ook meewarige visie op de (Vlaamse) mens.

Een belangrijk aspect van de roman wordt gevormd door de groteske kanten van de flamingantische collaboratie uit de kleine middenstand. Zij herinneren aan vroegere verzen waarin Claus spotte met dit volk dat, "uit vrees voor magere jaren zijn makke heersers, de makelaars" vleit "met geld en gebeden". Hij ziet het als een volk "van kwetterende dwergen".

Typisch is ook de evolutie die de romancier Ivo Michiels doormaakte. Professor Marcel Janssens wees in 1988 op het merkwaardige verschijnsel dat Michiels, net als andere toonaangevende redacteurs van het Vlaams-nationale tijdschrift Golfslag uit de jaren 1946-1950 (Adriaan de Roover, Paul de Vree) weldra de weg van het modernisme, naar de artistieke autonomie, waren ingeslagen. Janssens zag daar steun in voor zijn thesis, "dat het Vlaamse bewustzijn na de Tweede Wereldoorlog niet overal bij ieder individueel auteur uit het centrum van zijn bezigheden en belangstelling verdwenen is, maar dat de Vlaams-nationale reflex in het centrum en op het voorplan van de huidige Vlaamse literatuur in haar geheel afgezwakt is en naar meer secundaire en perifere zones verdrongen".

Ondertussen keerde het motief van het oorlogstrauma kort na Het Verdriet van België terug in een andere spraakmakende roman van die periode, De vermaledijde vaders (1985), van Monika van Paemel. Ook Greta Seghers koos een sterk vermaledijde vader tot zinnebeeld in verscheidene romans: de flamingantische dorpsonderwijzer die zijn volk wil opvoeden maar verstikkende traditionele waarden predikt. Willy Spillebeen van zijn kant, altijd zeer begaan met de problematiek van oorlog en wreedheid, verwerkte in een opmerkelijke roman uit 1985, De varkensput, achtergrondinformatie over Vlaams-nationalistische politieke figuren en over de aanslag op de IJzertoren.

De jongste jaren is het genre van de literaire essays en de polemiek voor de V.B. belangrijker dan de fictie. Een voortrekker was Jozef Deleu, de stichter en hoofdredacteur van het algemeen-culturele tijdschrift Ons Erfdeel, promotor van Vlaams-Nederlandse samenwerking, die van 1985 af enkele spraakmakende opstellen publiceerde. De titel van zijn bundel De pleinvrees der kanunniken werd een begrip. Deleu brengt scherpe kritiek uit op hen die hij "kanunniken" noemt, de dragers van een "vlaamskiljonisme", die "het mythische Vlaanderen" van de flaminganten hebben ingeruild voor "het cynische Vlaanderen van de commerçanten". Vlaanderen is voor deze "flandrokraten" een "Flanders" geworden, waarin cultuur een hulpmiddel wordt van de economie. In diverse gelijkaardige geschriften pleit Deleu voor een nauwe culturele samenwerking met Nederland, teneinde zich te bevrijden uit kortzichtig provincialisme. Dit betekent een emancipatie die alleen op basis van kwaliteit kan verkregen worden. Helaas lijden vele Vlamingen in dit opzicht aan pleinvrees.

Enig literair en ander gerucht werd in dezelfde periode gemaakt door de columnist Johan Anthierens, die in boek en blad met anarchistische spot ten strijde trok tegen nationalisme, rechtse opvattingen, Vlaams en ander establishment. Literair sterker is de Nederlandse romancier en polemist Jeroen Brouwers die niet kan geloven in culturele samenwerking tussen Noord en Zuid, maar die ondertussen geregeld zijn buitengewoon lenige pen en zijn barokke taalgevoel gebruikt om Nederland toch enige informatie te bezorgen over de misprezen taalgenoten. Brouwers dondert overigens ook fel tegen Vlamingen die hem mishagen, daarbij Deleu gelijk gevend, dat alleen kwaliteit hen kan redden. Na lange tijd zelf in het Zuiden veel kritiek te hebben gekregen, mocht Brouwers zich ten slotte verheugen in de erkenning (mede via prijzen en onderscheidingen) van zijn "vaak verkeerd begrepen liefde voor Vlaanderen". Onder de ironische titel Vlaamse leeuwen heeft hij in 1994 zijn bijdragen over die liefde verzameld.

Andere polemische essayisten die zich in de jaren 1990 inzake de V.B. lieten gelden, zijn de historici Marc Reynebeau en Eric Defoort, die in dispuut geraakten over het al dan niet bestaan van het begrip 'Vlaamse identiteit', en de literatoren Geert van Istendael en (de Nederlander) Benno Bernard, wier vinnige pen het opneemt voor een nieuwe, sterk door Brussel gekleurde 'belgitude', een reactie op de groei van een bepaald soort van Vlaams-nationalisme dat zij als een bedreiging van de democratie ervaren.

Literatuur

F. de Potter, Verhandeling over de Vlaemsche letterkunde in België, sedert het begin der XIXe eeuw, 1858; 
J. Stecher, Histoire de la Littérature Néerlandaise en Belgique, 1887; 
P. Hamélius, Histoire politique et littéraire du mouvement flamand, 1894; 
Th. Coopman en L. Scharpé, Geschiedenis van de Vlaamsche letterkunde, 1910; 
A. Vermeylen, De Vlaamsche letteren van Gezelle tot heden, 1938; 
M. Gijsen, De literatuur in Zuid-Nederland sedert 1830, 1951; 
H. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, 4 dln., 1963-1965; 
R.F. Lissens, De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden, 1967; 
C. Tindemans, Mens, gemeenschap en maatschappij in de toneelletterkunde van Zuid-Nederland 1815-1914. Een systematische analyse van de thematiek van het realistisch-burgerlijke drama, 1973; 
J. Smeyers, De Nederlandse letterkunde in het Zuiden. Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, VI, 1975; 
G. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, III-IV, 1976; 
S. Toemmel, Nation und Nationalliteratur. Eine soziologische Analyse des Verhëltnisses von Literatur und Gesellschaft in Belgien zwischen 1830 und 1840, 1976; 
J. Weisgerber, Aspecten van de Vlaamse roman 1927-1960, 1976; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse beweging, I, 1977; 
R. Vervliet, De literaire manifesten van het fin-de-siècle in de Zuidnederlandse periodieken 1878-1914, 1982; 
M. de Smedt, De literair-historische activiteit van Jan Frans Willems (1793-1846) en Ferdinand Augustijn Snellaert (1809-1872), 1984; 
G. Schmook, Conscience c.s. schrijven aan Zijne Majesteit Leopold I: 10.10.1846, 1984; 
J. Vlasselaers, Literair bewustzijn in Vlaanderen 1840-1893. Een codereconstructie, 1985; 
M. Rutten en J. Weisgerber (ed.), Van Arm Vlaanderen tot De voorstad groeit. De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946), 1988; 
M. Janssens, 'Van Leeuw tot Verdriet. Vlaams bewustzijn in de literatuur', in Dietsche Warande en Belfort, jg. 133, nr. 10 (december 1988); 
J. Huyghebaert, De Belgen/Les Belges. Het dichterstornooi van Aalst 1807-1810, 1989; 
J. Borré, Gerard Walschap, rebel & missionaris, 1990; 
A. Deprez en W. Gobbers (ed.), Vlaamse literatuur van de negentiende eeuw. Dertien verkenningen, 1990; 
L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de lage landen, 1992; 
id., Vlaanderen, België, Groot-Nederland. Mythe en geschiedenis, 1994; 
L. Missinne, Kunst en leven. Een wankel evenwicht. Ethiek en esthetiek: prozaopvattingen in Vlaamse tijdschriften en weekbladen tijdens het interbellum (1927-1940), 1994; 
L. Renders, 'Limburgse schrijvers en de Tweede Wereldoorlog', in Het Oude Land van Loon, jg. 50 (1995).

Auteur(s)

Piet Couttenier; Emiel Willekens; Gaston Durnez