Jong-Vlaanderen

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:21 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

of Nationale Jong-Vlaamsche Beweging, actiegroep, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een radicaal Vlaams tegen de Belgische staat gericht politiek programma wilde verwezenlijken in nauwe samenwerking met de Duitse bezetters. De actiegroep droeg aanvankelijk de naam Jong- Vlaanderen, naar analogie van de Jong-Turken die in het Ottomaanse Rijk politieke hervormingen wilden doorvoeren.

Nadat in begin oktober 1914 vrijwel geheel België door de Duitse troepen bezet was, kwam in Gent op 14 oktober een groep jonge flaminganten bijeen uit de kringen van de studentenvereniging Ter Waarheid en het radicale anti- belgische blad De Bestuurlijke Scheiding. De leiding had de al wat oudere Gentse predikant Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die tegenover zijn anti-Belgicisme zijn flamingantisme en zijn verheerlijking van de Germaanse cultuur en het Duitse keizerrijk plaatste. Op 24 oktober 1914 kwam de groep, zich bekendmakend als Jong- Vlaanderen, officieel bijeen in het Nederlandsch Koffiehuis te Gent. Aanwezig waren: Jozef Boulengier, Domela Nieuwenhuis Nyegaard, Reimond Kimpe, Marcel Minnaert, Leo Picard, Lodewijk Pintelon, Robert Rens, Jules van Roy, Omer Steenhaut en Antoon Thiry. Domela had voorlopig de leiding en dankzij zijn betrekkingen met de Duitse militaire autoriteiten kon hij ook buiten Gent reizen. Hij dankte deze gunsten aan de geestelijke hulp die hij aan Duitse krijgsgevangenen en gewonden had verleend. Zo kon hij in verbinding treden met geestverwante figuren in Brugge (Emile Dumon) en Oostende (Eugeen van Oye).

Op 27 oktober kwam een eerste beginselverklaring uit waarin Jong-Vlaanderen het verdwijnen van de naam en staat België eiste; de stichting van een koninkrijk Vlaanderen wenste; een economische en militaire verbondenheid met Duitsland bepleitte; uitsluitend de Nederlandse taal in rechtspraak, onderwijs en bestuur gehanteerd wenste te zien (Frans moest als taal verdwijnen en het Duits diende de tweede taal te zijn); leerplicht tot het 14de jaar eiste; de vorming van een Vlaams leger en annexatie van Frans-Vlaanderen wenste. De interpretatie van deze eisen leverde onmiddellijk een probleem op. Men was ervan uitgegaan dat de verwezenlijking van deze verlangens slechts door een Duitse overwinning mogelijk zou zijn en dat dit ook een 'inlijving' inhield van de nieuwe staat in een groter door Duitsland beheerst politiek verband. Dat ging sommige leden te ver en weldra was er sprake van 'toenadering' en 'verbondenheid'. Ook de zeer sterke aanleuning bij Duitsland zelf riep kritiek op. Minnaert wenste meer contact met Nederland en de Nederlandse cultuur. Ondertussen ging Domela met zijn pro-Duitse uitingen verder en schreef hij op 19 december 1914 en 19 januari 1915 brieven aan de Duitse keizer om hem met zijn militaire successen geluk te wensen en in de tweede brief was zelf sprake van de bede: "dat ook Vlaanderen in een verbond met het Keizerrijk moge treden met behoud van eigen Vlaamschen staatsvorm, van eigenaardigheid en van taal". In februari 1915 richtte de kleine groep met materiële en financiële steun van de Duitsers (Hermann Wirth) een eigen dagblad De Vlaamsche Post op.

Inmiddels waren er naast de contacten in Brugge en Oostende betrekkingen aangeknoopt met gelijkgezinde personen in Antwerpen en Brussel. Uit Brussel kwamen Maurits Josson, Frans Reinhard, Lucien Brulez, Willem Thelen, Edgard Rietjens en Emiel van Bergen. Uit Antwerpen kwamen Karel Angermille, Eugène de Bock, August Borms en Pol de Mont. Andere namen waren Eugène Cantillon, Reimond Speleers, Johan Eggen, Willem de Vreese, Albéric Deswarte, Felix Timmermans, Eugène Everaerts en Evarist Stocké. Een aantal van hen werkte ook mee aan De Vlaamsche Post. Daar viel ook de naam van de Limburger Jan Quintens.

De eind 1914 – begin 1915 door de rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg ontwikkelde Flamenpolitik vond niet alleen te Gent maar ook te Antwerpen en Brussel medewerking van Jong-Vlamingen. Weldra sloten ook gematigder, minder uitgesproken pro-Duitse flaminganten zich aan bij deze samenwerking met de Duitse bezetter ter verwezenlijking van Vlaamse eisen en werden Flamenpolitik en activisme onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De zeer pro-Duitse stellingname en de wens een soevereine Vlaamse staat te stichten leidde echter tot spanningen in de Jong-Vlaanderen-groep. Zij uitten zich in discussies over het redactioneel beleid van De Vlaamsche Post. Picard, August Remouchamps en Jules van Roy wensten meer aandacht voor de federalisering van de Belgische staat. Men wilde opties openhouden bij een minder voorspoedige afloop van de oorlog voor de Duitsers. Uiteindelijk leidde dit in de zomer van 1915 tot een breuk. Picard en de zijnen traden uit de redactie en als nieuwe redactie traden op Kimpe, Thiry en Jan de Boevé. Picard kreeg in 1915 steun uit Nederland, waar Frederik C. Gerretson en Derk Hoek financieel gesteund door de Duitse legatie het blad De Vlaamsche Stem hadden opgekocht en dit blad gebruikten om een federaal België te propageren dat met Nederland in een nauw politiek verband met Duitsland zou moeten verder gaan.

Op 18 september 1915 kwam Jong-Vlaanderen naar buiten met de "Zeven Punten", een politiek programma dat eigenlijk tot het einde van de oorlog het uitgangspunt van de Jong-Vlamingen is gebleven, zij het dat in latere versies, in 1917 en 1918, de bindingen met Duitsland wat minder stringent zijn geformuleerd. De punten zijn:

"1. Verdwijnen moet de naam en staat België;

2. Gesticht moet worden een Koninkrijk (staat) Vlaanderen, welke staat in staathuishoudkundigen en militairen zin met Duitschland in verband zou staan en welks grenzen met de taalgrens zouden samenvallen;

3. De uitsluitende heerschende taal in dat nieuwe Koninkrijk Vlaanderen zij het Nederlandsch, zoowel in regeering en rechtspraak als in hooger, middelbaar en lager onderwijs en eveneens in alle ambtelijke stukken en handelingen;

4. Leerdwang van het 6e tot het 14e levensjaar worde ingevoerd;

5. Weerplicht worde terstond ingevoerd en een Vlaamsch leger met Nederlandsche africhtings- en bevel-taal gevormd;

6. De ambtenaars van den staat Vlaanderen worden uit de Nederlandsch sprekende inwoners gekozen;

7. Voor de Vlaamsche overbevolking worde in het door den oorlog verwoeste aan Vlaanderen palende deel van Noord- Frankrijk een grensgewest onder militair gezag gesticht, waar op taal- en staathuishoudkundig gebied talrijke voorrechten aan Vlaamsche nederzetters zullen geschonken worden."

De verbreding van de beweging kwam tot uiting toen te Gent op 1 november 1915 het eerste Nationale Jong-Vlaamsche Congres werd gehouden. Sedertdien is er sprake van een Nationale Jong- Vlaamsche Beweging. Tegelijk kwam een middencomiteit van de grond, waarin vertegenwoordigers van buiten Gent zitting hadden. Het bestuur bestond uit: Van Oye (Oostende), voorzitter, Domela Nieuwenhuis (Gent), Kimpe (Lier) en Gustaaf Vermeersch (Brussel). Er waren, in ieder geval op papier, afdelingen in Gent, Oostende, Lier, Antwerpen, Brussel, Kortrijk, Roeselaere, Gheluwe, Deerlijk, Mechelen, Ninove, Brugge en Blankenberge. In Brussel was het Jong- Vlaamse element sterk vertegenwoordigd in de activistische Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak.

Op 5 december 1915 en 23 januari 1916 hielden de Jong- Vlamingen weer congressen te Gent. Op de januaribijeenkomst kwam de door de Duitse bezetters voorgenomen vernederlandsing van de Gentse hogeschool ter sprake. Te Brugge op het 4de congres op 12 juni 1916 kwam de splitsing van het ministerie van onderwijs aan de orde en was er sprake van een mogelijke adviesraad voor de Duitse bezetters (de latere Raad van Vlaanderen). Eigenlijk stond de Jong-Vlamingen een soort parlement en regering voor ogen, maar dat kon alleen bij een volledige Duitse overwinning gerealiseerd worden. Niet iedere activist ging daar echter van uit. Inmiddels was op 5 mei 1916 het laatste nummer van De Vlaamsche Post verschenen. Het blad ging ten onder aan interne spanningen, waarbij het nog altijd zeer pro-Duitse en eigenmachtige optreden van Domela een rol speelde. Maar ook van Duitse kant was er kritiek. De Politische Abteilung was weinig gelukkig met het soevereiniteitsstreven van de Jong-Vlamingen. Het beperkte de Duitse opties bij eventuele minder voordelige vredesonderhandelingen met de Entente-mogendheden. De Duitse marineautoriteiten, die het in het etappegebied voor het zeggen hadden, steunden echter de extreme Jong-Vlaamse politiek. Het betekende voor hen een volledig afhankelijk Vlaanderen. In dit geval won de Politische Abteilung. Op het 5de congres (12 november 1916) probeerden figuren als Johan Labberton en Everhardus Godée-Molsbergen zonder al te veel succes de Jong-Vlamingen tot wat meer afstand van Duitsland te brengen.

Kort na dit congres kwam eindelijk op de landdag van 4 februari 1917 de (eerste) Raad van Vlaanderen tot stand. Onder de benoemde afgevaardigden hadden de Jong- Vlamingen een zeker overwicht en dat zouden ze tot het einde van de oorlog houden. Het leidde wel tot voortdurende weinig zinvolle discussies over enerzijds een soeverein Vlaanderen en anderzijds een Belgische federale staat en alle staatkundige nuances die daarbij aan te brengen waren. Tevens bracht de door de socialistische internationale voorbereide vredesconferentie te Stockholm verdeeldheid in de Jong-Vlaamse rangen. Nogal wat Jong-Vlamingen hadden socialistische sympathieën, maar zij beoordeelden het voorstel van Camille Huysmans om in Vlaanderen culturele autonomie in te voeren als volstrekt onvoldoende. De Jong-Vlaamse beweging raakte uiteindelijk in conflict met Domela zelf, toen deze op eigen houtje de Beierse prins Ruprecht benaderd had met de vraag koning van Vlaanderen te worden. Op het 7de congres te Antwerpen op 31 augustus 1917 werd Domela als landelijk voorzitter gewipt en Karel Borms verkozen.

Zoals te verwachten loste de uitroeping van de zelfstandige staat Vlaanderen door August Borms in de vergadering van de Raad van Vlaanderen van 22 december 1917 niets op. Er diende nu een gekozen tweede Raad van Vlaanderen te komen. In deze Raad overwoog weer het Jong-Vlaamse element. Op het 8ste congres in Brussel hield men dan ook onverkort aan de soevereine staat Vlaanderen vast.

Opvallend was echter dat in de loop van 1917 en 1918 nogal wat Jong-Vlamingen hun activiteiten naar andere organisaties verlegden. Door de creatie van de Raad van Vlaanderen was de rol van de afdelingen minder groot geworden. Op het plaatselijke vlak richtte men nieuwe meer partij-politieke organisaties op. Zeer duidelijk was dit in Gent waarneembaar, waar Jan Wannyn op 1 februari 1918 zijn Nationalistische Bond sticht, waarin veel Jong-Vlaamse figuren en idealen in terug te vinden zijn. Het blijkt ook uit zijn dagblad De Vlaamsche Smeder. Gematigder Jong- Vlamingen (Alfons en Jules van Roy, Frans Primo en Antoon Picard) richtten te Gent de Vlaamsch-Nationale Partij op. Zij streefden "de grootst mogelijke zelfstandigheid van Vlaanderen" na en wensten, zo blijkt uit de Nieuwe Gentsche Courant, hun partijblad, de blik meer op het cultureel verwante Nederland te richten.

Elders, zoals in Antwerpen en Brussel, maar ook in Gent hadden de Jong-Vlamingen de oude Groeningerwachten in het activisme gehaald, zoals dat ook met de meer socialistische Vlaamsche Voorwachten het geval was. In Antwerpen was het dagblad Het Vlaamsche Nieuws van A. Borms de tolk van de Jong-Vlaamse idealen. In Brussel hield De Gazet van Brussel, hoewel lange tijd geredigeerd door de Jong-Vlaming Van Bergen , een voorzichtiger koers aan. Opvallend was dat in Limburg de radicale Jong-Vlaamse gedachte maar weinig aanhang vond.

In november 1918 was het voor de Nationale Jong-Vlaamsche Beweging afgelopen. De Jong-Vlamingen hadden in het activisme het radicaalste en meest anti-Belgische standpunt ingenomen. Zij waren in de aanvaarding van en samenwerking met het Duitse keizerrijk het verst gegaan. Zij konden dientengevolge op zware straffen rekenen nu het oude regime de oorlog had gewonnen. Een aanzienlijk deel van hen week dan ook uit naar Duitsland en Nederland, van waaruit zij in latere jaren hun onverzoenlijke anti-Belgische visies zouden blijven propageren.

Literatuur

Les Archives du Conseil de Flandre, 1929; 
A.L. Faingnaert, Verraad of zelfverdediging?, 1933; 
M. van de Velde, Geschiedenis van de Jong- Vlaamsche Beweging, 1914-1918, 1941; 
L. Buning, Het strijdbare leven van J.D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Vlaming door keuze, 1976; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991.

Auteur(s)

Pieter van Hees