Gerrits, Lodewijk (eigenlijk Joannes B.L.)

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 18:57 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 13 augustus 1827 – Antwerpen 17 augustus 1873).

Studeerde aan het Koninklijk Atheneum van Antwerpen maar moest in 1842, wegens het overlijden van zijn vader, als klerk aan de slag gaan. Later zette Gerrits – als autodidact – met zijn schoonbroer Kennes een drukkerij op, waar onder meer een tijdlang het blad Lloyd Anversois werd gedrukt.

Reeds vrij vroeg wijdde Gerrits zich aan de letterkunde onder meer met De Zoon des Volks (1847), een historische roman waarin Vlaamsgezindheid en sociale zin primeerden. Deze twee elementen vormden de rode draad doorheen het leven van Gerrits. In 1848 trachtte hij met August Snieders De Vriend des Volks te lanceren, waarin hij aan dezelfde bezorgdheden uiting gaf. Het blad verscheen slechts eenmaal. Tot 1860 publiceerde Gerrits nog een drama en enkele verhalen maar nadien wijdde hij zich volledig aan de politiek.

In 1846 werd Gerrits lid van de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak. Daar weigerde hij een standpunt in te nemen in het conflict tussen Pieter F. van Kerckhoven en zijn liberale vrienden, en de groep van Hendrik Conscience, Jan J. de Laet en Lodewijk Vleeschouwer. In 1850 maakte hij in Oproep aan het Vlaamse Volk (18 mei 1850, in juli van hetzelfde jaar gepubliceerd onder de titel Aen het Vlaemsche Volk, op last van De Olijftak) de stichting bekend van een politieke beweging ter verheffing van het volk. Hij werd daarbij gesteund door Snieders en Jan van Rijswijck. De systematische liberalisering van De Olijftak vanaf 1848 strookte niet meer met Gerrits ideeën en samen met Snieders stichtte hij in 1850 De Eikenkroon, een Vlaamsgezinde, politiek-neutrale groepering. Zijn omgang met katholieken in deze groepering en elders werd echter niet aanvaard door de leden van De Olijftak en hij werd uit de rederijkerskamer gesloten. Talrijke vrienden, waaronder Snieders, aanvaardden dit niet en dienden op hun beurt ontslag in. Nog in 1853 poogde Gerrits zijn plannen voor een politieke beweging waarin de filosofische overtuiging voor de Vlaamse zaak zou moeten wijken, tevergeefs door te zetten. Toen Snieders zich aansloot bij de katholieken ontstond er een voorlopige breuk tussen hen beiden.

Bij Gerrits bleef de gedachte aan samenwerking van de Vlaamsgezinden buiten partijverband voortleven. Dit bleek onder meer toen hij op 25 april 1859 tijdens het huldebanket ter ere van de Grievencommissie de idee van een overkoepelende Vlaamse politieke partij herhaalde.

Toen de Antwerpse Liberale Associatie zijn kandidaatsstelling voor de gemeenteraadsverkiezingen in 1859 kelderde, zette Gerrits zich ten volle in voor de net opgerichte Nederduitsche Bond (1861) waarvan hij tweemaal voorzitter werd. Hij stelde het reglement van de Bond op, trad veelvuldig op als spreker op de meetings, en was beheerder van L'Escaut, een pro-Vlaams en pro-Meeting blad. In zijn Waakt op! Gij die slaapt. Een ernstig woord tot alle Vlamingen, die hun land en hunnen taal liefhebben (18 maart 1861) pleitte hij opnieuw voor het opzijzetten van alle partijzucht en voor het steunen van uitsluitend Vlaamsgezinde kandidaten.

In januari 1863 nam Gerrits ontslag als bestuurslid van de Liberale Associatie en werd tot Antwerps gemeenteraadslid voor de Meetingpartij gekozen (tot september 1872). In die hoedanigheid lag hij mee aan de basis van de invoering van het Nederlands als officiële taal van de stad Antwerpen (27 augustus 1866). In 1865 was hij medestichter van het weekblad Het Vrije Woord dat fungeerde als spreekbuis van de gematigde Meetinggezinde liberalen. Tot 1867, toen het weekblad verdween, leverde hij er een reeks hoofdartikelen voor.

Op 12 juni 1866 werd Gerrits samen met De Laet en Edward Coremans als kandidaat van de Nederduitsche Bond tot volksvertegenwoordiger voor Antwerpen van de Meetingpartij verkozen. Zijn parlementair optreden beperkte zich tot Antwerpse aangelegenheden (zoals aanleg van kaaimuren, werken aan de Schelde), het leger (verzet tegen de aankoop van nieuwe wapens, tegen de oprichting van een permanent leger, tegen de uitbreiding van de legerbegroting) en de Vlaamse zaak, vooral wat de vernederlandsing van het onderwijs en het gerecht betreft. In november 1867 diende hij tevergeefs een wetsvoorstel in tot regeling van het taalgebruik in rechtszaken. Toen Coremans op 13 april 1872 opnieuw een wetsvoorstel inzake het taalgebruik in het gerecht neerlegde, was Gerrits dan ook een van de medeondertekenaars. Gerrits stierf op de dag dat dit wetsvoorstel werd bekrachigd als allereerste taalwet (taalwetgeving).

Werken

Artikelen in Almanak des Volks en De Vlaamsche school; 
De zoon des volks, 1845(?); 
Bogdowad, een Belg te Rome, 1846; 
De liefde der rijken, 1849; 
Menschenliefde (drama), 1850; 
Tanchelm (drama), 1850; 
Aan het Vlaamse volk, 1852; 
De Godverzaker (roman), 1852; 
De oude Belgen, 1854.

Literatuur

H. Kennes, Het laatste jaar van Lodewijk Gerrits, 1875; 
A. Snieders, In 't vervallen huis, 1877; 
J.G. Fredericks en F.J. van den Branden, 'Gerrits Lodewijk', in Biografisch Woordenboek der Noord- en Zuidnederlandse Letterkunde, 1888; 
G. Schmook, 'Motieven en uitzichten op het literaire leven in de XIXde eeuw', in Bouwstoffen voor de Geschiedenis van Antwerpen in de XIXde eeuw, 1964; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, III, 1971; 
L. Valcke, 'Gerrits, Lodewijk', in NBW, VIII, 1979.

Auteur(s)

Martina de Moor