Flamingant, flamingantisme

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:20 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

benamingen die in het midden van de 19de eeuw het karakter van scheldwoorden kregen, maar door degenen voor wie ze bestemd waren min of meer als erenamen werden opgevat.

Voor Hendrik Elias beantwoordde de omschrijving van 'flamingant' door Alfons Sevens (1912) het best aan de werkelijkheid. Voor Sevens is de 'flamingant' gewoonlijk een redenaar en een letterkundige, die, om het even bij welke partij hij zich wil aansluiten, een belangrijke rol kan spelen. De politieke partijen vrezen echter de 'zuivere' flaminganten, omdat deze hun Vlaamse principes aan geen enkele partij ondergeschikt willen maken. De 'zuivere' flamingant geeft zijn tijd en zijn geld aan zijn strijd, zonder er ooit de minste beloning voor terug te verwachten. Hij strijdt voor zijn volk, zelfs als dat volk hem niet verstaat en verschopt. Te midden van het vuil geknoei van partijleiders en partijknechten vecht hij steeds voor zijn misprezen volk.

Paul Fredericq gebruikte het woord voor de Vlaamsgezinde van 1857. Hij gewaagde van "gematigde of halve" flaminganten en van "hele" flaminganten, namelijk de bewuste en strijdende Vlamingen, die we ook bij Lodewijk Dosfel terugvinden. Deze laatste plaatste de flaminganten tegenover de "vulgarisateurs", die het Frans in Vlaanderen willen vulgariseren.

In de Vlaamse strijdliteratuur wisselen 'flamingant' en 'Vlaamsgezinde' elkaar af en hebben zowat dezelfde betekenis. De zin van de strijdende Vlaming komt duidelijk naar voren bij Piet van Rossem: "In de wilde symfonie van flamingantenpoëzie... ik zing 'n woest flamingantenlied."

In Franse teksten wordt het woord flamingant wel eens voor flamand gebezigd; alzo in Le petit journal (Parijs, 1888): II faut être linguiste pour savoir du flamingant pur. In La Flandre flamingante betekent flamingant het nog Vlaams gebleven deel van Diets- Vlaanderen, in tegenstelling tot La Flandre gallicante.

Uit het gebruik dat Fredericq in zijn geciteerd werk voortdurend van het woord maakt, is men geneigd aan te nemen dat de flamingant evengoed tot de klerikale als tot de liberale partij kon behoren. Zo ook bij Albrecht Rodenbach, die het flamingantisme een reactie noemde tegen de houding van de overheid, die aan hem die "voor het Vlaamsch is... eenen kaakslag geeft". Hij beschuldigde de overheid zelf voor flamingant te spelen om "haar flaminganten zoetjes in slape te wiegen", zoals men "bij kiestijd zoogezeid flamingant is, hetzij in Cercle catholique, hetzij in Association libérale". Af en toe, bijvoorbeeld bij het lezen van de Gentse studentenalmanak 't Zal wel gaan, waar het woord veelvuldig voorkomt, kan men even de indruk krijgen dat het in de 19de eeuw enigszins een vrijzinnig tintje had. Aldus in Waarom? (almanak van 1874): "Waarom toch zijt gij flamingant? (...) 'k Ben liberaal. Waarom toch zijt gij liberaal ? (...) 'k Ben flamingant", of als men leest dat Karel Buls le grand pontife du flamingantisme werd genoemd. Deze indruk kan ook gewekt worden door het feit dat in 1889 te Brussel een liberaal Vlaamsgezind weekblad begon te verschijnen dat De Flamingant heette en uitstekend Vlaams werk verrichtte.

In de politieke literatuur komt een onderscheid aan het licht tussen 'Vlaams' (passief) en 'flamingant' (actief). De Luikse professor van Brugse afkomst Emile V. de Laveleye suggereerde dit, als hij zegde: "In mijn hoedanigheid van Vlaming en van Flamingant (...)". Zo ook Cyriel Verschaeve, die het had over "het flamingantisch Vlaamse", dat hij elders omschreef door te gewagen van "De Vlamingen, de logische dit wil zeggen de flaminganten". In zekere zin maakten ook de Vulgarisateurs dit onderscheid, als hun voorzitter Steyaert in 1899 verklaarde: Nous sommes avant tout des Flamands... Vous avez été exposés aux sarcasmes et aux railleries de vos petits compagnons flamingants. Zo ook Termonia op het Congrès wallon in 1890: "Met de rechtschapen Vlamingen willen wij verbroederen, met de aanhangers der Flaminganten-beweging nimmer!"

We worden hier al een pejoratieve betekenis gewaar, die nochtans niet algemeen is in de francofone literatuur, want van de Fransman Jules Gauthier horen we: "Ik begrijp en waardeer de Flaminganten (...) men heeft gelijk zijn taal lief te hebben." Behalve deze waarderende, zij het in beperkte zin van het woord, treft men een groot aantal uitdrukkingen aan, waarin flamingant een ongunstige betekenis krijgt, die tegen de V.B. wordt uitgespeeld. Betekenis van misprijzen: C'est un flamingant (de parlementsvoorzitter in 1890, over de afwezige Waal Paul-Emile Janson), flamingantisme= flamendicité, flamingaille, flamingâtisme (Chronique, 1898); betekenis van misleiding en onverdraagzaamheid: Les menées des intrigants flamingants (Léon Hallet in Etoile belge, 1898), le flamingantisme a empoisonné l'esprit public (Etoile belge, 1898), la loi flamingante, la loi de malheur (A. Nothomb), bouffonnes persécutions flamingantes (Journal de Liége, 1897), Exagérations flamingantes (Lorand in het parlement, 1907), "die aanmatigingen der Flaminganten" (Dupont in de Senaat, 1908), "De Chinese muur van het flamingantisme" (Holl, 1908); betekenis van verraderlijkheid: "De Flaminganten werden tot de meest uiteenlopende bedoelingen in staat geacht. Nu eens wilden zij het pan-Germanisme dienen (...)" (Maurits Basse). Inderdaad, in 1907 kon men in Le Temps lezen dat de flaminganten de ergste tegenstanders van de toenadering tussen Nederland en België waren, omdat ze gehoorzaamden aan Duitse invloed. Soms werd uit volkomen onbegrip of met politiek boos opzet flamingantisme gelijkgesteld met Duitsgezindheid, bijvoorbeeld in Journal de Gand van 13 december 1918: Joug allemand ou joug flamingant, il n'y a entre les deux qu'une nuance (...), of in La Gazette: Ne vous étonnez pas en apprenant que des flamingants organisent un pèlerinage à l'ancient front. Il y a aussi, là, des cimetières allemands; betekenis van beperkte lieden die in hun woorden of in hun bedoelingen overdrijven: "Onze flaminganten zijn hansworsten, vermaarde gekken, éénogen (...) moordenaars der V.B. (...)" (Vooruit, 1891).

In tegenstelling met dit laatste werd al vrij vroeg van radicaal-Vlaamse zijde het woord flamingant gekoppeld aan pejoratieve bewoordingen om een verwijt van te grote gematigdheid uit te spreken: "Woorden-in-den-wind- Flaminganten" en "waterbalg-flamingantisme" (Flandria, 1888). Minder opgeblazen steekt René de Clercq de draak met de "redevoerende flaminganten, die 't eerlijk menen maar zich laten lijmen".

De tegenstelling die het activisme tegenover de passieven (passivisme) en daarna de Vlaams-nationalisten tegenover de 'belgicisten' plaatste, bracht Basse ertoe te schrijven over "de ouderwetse flaminganten". Nadat Fredericq en Basse het woord overvloedig bezigden, gebruikt Elias het zeldzamer, hetgeen erop wijst, dat de moderne historicus er een vleugje voorbijgestreefd romantisme in aanvoelt. Historicus Lode Wils gebruikt het woord echter nog in de betekenis van politiek strijdend Vlaamsgezinde. Geleidelijk echter kreeg het woord de beperkte betekenis van 'taalflamingant': Vlaming, begaan om taal en cultuur, doch minder om de sociale en economische draagwijdte van de V.B. Het woord wordt thans minder gebruikt.

Literatuur

L. Dosfel, Verzameld werk, II, z.j.; 
C. Verschaeve, Verzameld werk, VIII, z.j.; 
A. Rodenbach, Gudrun, 1882; 
P. Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging, 3 dln., 1906- 1909; 
A. Sevens, De vlaamschgezindheid en de moed van Edw. Anseele en van de bende van Vooruit, 1912; 
P. van Rossem, Verzen van Elegast, 1920; 
R. de Clercq, Een wijnavond bij Dr. Aldegraaf, 1927; 
M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, 2 dln., 1933; - - A. Rodenbach, Verzamelde werken (met glossarium en aantekeningen door F. Baur), III, 1957; 
L. Wils, Het ontstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, IV, 1965.

Verwijzingen

zie: taalpolitiek en -wetgeving.

Auteur(s)

Marcel Boey; Pieter van Hees