De Clercq, René D.

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:18 (1 versie geïmporteerd)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Deerlijk 14 november 1877 – Maartensdijk 12 juni 1932).

Mocht als jongste zoon uit een kroostrijk gezin van kleine middenstanders studeren: humaniora in Tielt en Kortrijk, een jaar geneeskunde en, na bemiddeling van Paul Fredericq, filologie in Gent. Na zijn promotie tot doctor in de Germaanse filologie in 1902 werd De Clercq leraar: eerst als collega van August Borms in Nijvel, daarna in Oostende en ten slotte in 1907 aan het atheneum te Gent, waar hij onder meer Adiel Debeuckelaere, Jozef Goossenaerts, Oscar de Gruyter en Hippoliet Meert als collega's kreeg. In die vooroorlogse tijd ontpopte hij zich tot een bijzonder geliefd volksdichter. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog week hij uit naar Nederland, maar hij keerde als activist naar Vlaanderen terug. Na de oorlog vestigde hij zich definitief in Nederland, waar hij als letterkundige werkzaam bleef.

De Clercq speelde tot 1915 slechts een beperkte rol in de V.B. Als voorzitter van de Gentse katholieke studentenvereniging Rodenbach's Vrienden, die in 1901 samen met 't Zal wel gaan het tweede studentencongres voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit organiseerde, kwam hij op voor het stelsel-Mac Leod (Vlaamse hogeschoolcommissies). In Jong Vlaanderen (1900-1902) sympathiseerde hij in een aantal artikelen met de christen-democraten, omdat zij de Vlaamse strijd koppelden aan de sociale strijd. Tien jaar later verdedigde hij in het strijdblad Witte Kaproen opnieuw de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Hij reageerde er, samen met Alfons Sevens, onder meer tegen Albéric Rolin en diens Union pour la défense de la langue française à l'université de Gand. Tijdens meetings wekte hij de geestdrift op met de lectuur van zijn destijds bekende Kaproenenlied.

De Duitse invasie vervulde De Clercq met verontwaardiging. Hij week uit naar Nederland waar hij woonde in Bussum en leraar werd aan de Belgische School in Amsterdam. Hij trad op 1 februari 1915 toe tot de redactie van De Vlaamsche Stem. Voor hem was het blad op dat moment nog "de tolk van het Belgisch voelend Vlaanderen". Zijn bijdrage bestond vooral uit Belgisch-nationalistische, royalistische en anti-Duitse gedichten. Eind juni zette De Clercq zich in een paar polemische artikelen af tegen de wijze waarop een bepaalde Franstalige pers de Vlaamse zaak verdacht probeerde te maken. Hij droeg op die manier bij tot de radicalisering van het blad. Hij trad ook samen met Albéric Deswarte op tijdens de geruchtmakende 11 juli-viering te Bussum en pleitte voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit dadelijk na de oorlog. Beide sprekers ondertekenden er in naam van de aanwezigen een huldetelegram aan koning Albert I (Bussumer Telegram), waarin ze hun vertrouwen uitdrukten in diens haute sagesse pour garantir la Flandre autonome dans la Belgique indépendante. Het ontwijkende antwoord van de vorst vertaalde De Clercq ontgoocheld als: "Vlamingen, vecht en zwijgt". Toen hij na de breuk in de redactie van De Vlaamsche Stem naast Antoon Jacob hoofdredacteur was geworden, bleef hij het standpunt verdedigen dat de Vlamingen recht hadden op een "geruststellend woord" van de koning. Na een onderhoud met minister Prosper Poullet weigerde hij terug te treden uit de redactie van het dagblad, dat vanaf de zomer van 1915 met Duits geld in stand werd gehouden. Hij werd daarop bij koninlijk besluit van 5 oktober 1915 ontslagen als atheneumleraar. Dat wekte bij de flaminganten grote verontwaardiging. De tuchtmaatregel werd geïnterpreteerd als een maatregel tegen de V.B. zelf en leidde tot meer radicalisme, ook bij de activisten in Vlaanderen. De Clercq vroeg nu zelf om zijn ontslag bij de Belgische School in Amsterdam. Intussen werd hij, zonder veel gevolg, bewerkt door de Jong-Vlaamse groep (Jong-Vlaanderen) uit Gent. Hij bleef vertrouwen op de Koning. Hij wilde nog steeds "noch Waal, noch Pruis" zijn. Daarentegen bleek uit menig artikel en gedicht zijn groeiende Groot-Nederlandse overtuiging. Zijn striemend anti-regeringspamflet Havere tegen Vlaanderen (1915-1916) verscheen in Dietsche Stemmen. Hij was van bij de start redactielid van dit "Tijdschrift voor Nederlandsche Stambelangen" en trad ook toe tot de redactie van het eveneens Groot-Nederlandse weekblad De Toorts. Na zijn ontslag schreef hij talrijke Vlaamse strijdliederen. Ze verschenen in De Vlaamsche Stem en daarna in De Toorts, waarvan de redactie steun verleende aan het activisme. De vaak lapidaire verzen werden geregeld overgenomen door de activistische pers in Vlaanderen. De flaminganten voelden ze aan als de treffende en meestal kernachtige verwoording van hun eigen overtuiging en gevoelens. Samen met de broodroof waarvan De Clercq in hun ogen het slachtoffer was, droegen zijn gedichten bij tot zijn grote populariteit. De vaak emotionele lyriek, in 1916 gebundeld als De Noodhoorn, sloeg veel sterker aan dan zijn soms verwarde artikelen. Toch onderhield hij weinig persoonlijke contacten met activisten in het Zuiden en zijn optreden met het Nationaal Vlaamsch Comiteit tot Verdediging van de Vlaamsche Zaak in België werd, samen met dat van de andere leden, vanuit Vlaanderen met wrevel gevolgd.

Toen bleek dat de Raad van Vlaanderen na zijn stichting in het voorjaar van 1917 moeilijk van de grond kwam, besefte de leiding dat men de volksgeliefde dichter goed kon gebruiken voor de propaganda. De Clercq liet zich overhalen om terug te keren naar België en deed dat met branie en theatraal vertoon op de 11 juli-vieringen in Brussel en Antwerpen. Het succes was groot. Hij pleitte nu in een anti-Belgisch kader voor een zelfstandig Vlaanderen maar dan enkel als tussenstap naar een politiek Groot-Nederland. Jong-Vlaming was hij niet. Hij werd hoofdredacteur van de Gazet van Brussel en, om den brode, conservator van het Wiertz-museum. Hoewel De Clercq lid was van de Raad van Vlaanderen en in januari 1918 zelfs ondervoorzitter van het bureau, kan men niet beweren dat hij een leidende rol speelde in het activisme. Zijn taak bestond er veeleer in als dichter en bevlogen redenaar de massa te bezielen en aan te trekken. Hij trad op tijdens meetings en bezocht herhaaldelijk Vlaamse krijgsgevangenkampen in Duitsland. Dat Duitsland deze activiteiten niet alleen mogelijk maakte, maar ook in hoge mate bepaalde, heeft De Clercq niet van actie weerhouden.

Na de oorlog vestigde hij zich opnieuw te Bussum en daarna in Amsterdam. Zijn terdoodveroordeling belette hem naar Vlaanderen terug te keren. Hij bleef als lid van de commissie van De Dietsche Bond en van de opstelraad van Dietsche Gedachte ijveren voor de Groot-Nederlandse opvattingen. De vrijlating van Borms in 1929 schonk hem nieuwe hoop en de oprichting van de derde Raad van Vlaanderen (1931) steunde hij met al wat hem nog aan invloed en krachten restte. De tekst van de uiteenzetting die hij op 12 juni 1932 op een vergadering van de Raad zou houden, lag klaar toen hij diezelfde morgen bij vrienden te Maartensdijk overleed.

In 1982, naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van De Clercqs overlijden, werden zijn stoffelijk overschot en zijn door Jozef Cantré gebeeldhouwde grafmonument vanuit Nederland naar Deerlijk overgebracht. Er werd eveneens een Stichting René de Clercq opgericht, die in het Deerlijkse gemeentehuis een archief- en documentatiecentrum opzette en een actie startte voor de restauratie van De Clercqs geboortehuis. In juni 1991 werd in het inmiddels gerestaureerde huis het René de Clercq-Museum geopend.

Werken

Artikelen en gedichten in Jong Vlaanderen; Witte Kaproen; De Vlaamsche Stem; De Toorts; Gazet van Brussel; Dietsche Gedachte; 
Dichtbundels: De zware kroon, 1915; 
De Noodhoorn, 1916; 
Pamflet: Havere tegen Vlaanderen, 1916.

Literatuur

A. Jacob, 'René de Clercq', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1936-1937), p. 123-147; 
K. Hulpiau, 'René de Clercq als flamingant', in WT, jg. 41 (1982), p. 212-225; jg. 42 (1983), p. 83-96 en 236-247; jg. 43 (1984), p. 89-102; 
id., René de Clercq 1877-1932. Een monografie, 1986; 
M. van der Heide (red.), Dagboek 1917-1920 (A.F. Pieck) en Herinneringen aan René de Clercq (Betty Pieck), 1993.

Verwijzingen

zie: Daensistische Beweging, Antoon Jacob, literatuur, De Vlaamsche Stem.

Auteur(s)

Koen Hulpiau