Claes, Désiré

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 18:27 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Neerlinter 26 december 1836 – Namen 7 maart 1910).

Volgde middelbaar onderwijs aan het college van de jozefieten in Tienen en studeerde nadien aan de Rijksnormaalschool van Lier, waar zijn leraar Jan van Beers hem stimuleerde om te schrijven en hem de liefde voor de moedertaal bijbracht. In 1857 werd Claes benoemd tot onderwijzer aan de gemeenteschool in Tienen en in 1865 tot leraar Nederlands aan het gemeentelijk college. Hij was medestichter en grote bezieler van de Tiense vereniging Geen Taal Geen Volk, die een volksbibliotheek en uitsluitend Vlaamse avondleergangen inrichtte. Claes publiceerde toen zijn eerste gedichten en prozastukken, onder meer in het tijdschrift van het Willemsfonds.

In 1869 werd Claes benoemd tot leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum in Hasselt. Hij was er actief als dichter, folklorist, publicist, toneelschrijver, vertaler en auteur van schoolboeken. Zowel in zijn lessen aan het atheneum, als in het culturele leven van de stad zou Claes een promotor en verdediger van de Nederlandse taal blijven. Zijn lessen Nederlands gaf hij volledig in het Nederlands, vanuit de overtuiging dat men zoveel mogelijk de onderwezen taal als voertaal moest gebruiken.

Claes was ook een van de eersten om aan taalzuivering te doen, onder meer met zijn in 1891 verschenen Gemengde Taal- en Letterkundige Aanmerkingen, bestemd voor studenten en jonge schrijvers. Hij stond hierbij op een eng Vlaams standpunt. Terwijl Vlaamse taalgeleerden uit zijn tijd, die geschoold waren in de Nederlandse taalwetenschap, vasthielden aan de volgens hen zo onmisbare taaleenheid, waarvoor het algemeen Nederlands (gegroeid in Noord- en Zuid-Holland) de toon zou aangeven, trad Claes op voor het recht van het Zuiden, dat evengoed als het Noorden diende bij te dragen tot de gemeenschappelijke taalschat en dat bij de taalregeling evenzeer recht van spreken had. Hij verdedigde dat standpunt in de pennenstrijd omstreeks 1900 met Hippoliet Meert en later in de schoot van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (KVATL) tegen Willem de Vreese en tegen het Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat volgens hem het Zuid-Nederlands niet tot zijn recht liet komen. Hij bestreed ook de zogenaamde 'vereenvoudigde spelling' (Kollewijn). In dit perspectief wilde hij zelfs regionale Vlaamse woorden propageren, inzonderheid Hagelandse.

In het verfranste socio-culturele leven van Hasselt slaagde Claes erin de Vlaamsgezinde tendens te versterken, onder meer bij de toneelmaatschappijen De Ware Vrienden en Sint-Cecilia. In 1873 hield hij de eerste Nederlandstalige lezing voor de vereniging Les Mélophiles en later schreef hij Nederlandstalige bijdragen voor haar tijdschrift. In 1875 was hij een der stichters en eerste secretaris van de Hasseltse afdeling van het Davidsfonds. Dankzij zijn inzet en energie kon de jonge afdeling qua activiteiten wedijveren met de grootste van Vlaanderen. In hetzelfde jaar richtte hij samen met Nicolas Theelen een eigen Vlaamse toneelvereniging op, waarbij verscheidenen van zijn oud-studenten zich zouden aansluiten.

In 1880 werd Claes wegens zijn uitgesproken katholieke en Vlaamse overtuiging door de liberale regering naar Namen overgeplaatst als leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum en de Rijksmiddelbare School. Hij bleef echter actief flamingant en richtte in 1894 een Naamse afdeling van het Davidsfonds op. Intussen was hij ook lid geworden van tal van literaire en taalkundige genootschappen. Zo werd hij in 1871 een der eerste leden van de Zuidnederlandsche Maatschappij voor Taalkunde, waarvan hij in 1881 ondervoorzitter en in 1904 voorzitter werd. Van de KVATL werd hij in 1895 werkend lid, in 1907 ondervoorzitter en een jaar later voorzitter. Van het Davidsfonds werd hij in 1898 lid van het nationaal hoofdbestuur en in 1904 voorzitter.

Claes schreef een groot aantal gedichten en prozastukken, zeer dikwijls gelegenheidswerken zonder grote literaire waarde, maar met hartstocht geschreven. Om taaltoestanden aan te klagen hanteerde hij (onder het pseudoniem van E. Caerdistels) het hekelvers (bijvoorbeeld Bewaar ons Dietschland, Sire!, 1889 en Tien Geboden van den Vlaming, 1904). Hij publiceerde ook een groot aantal schoolhandboeken, folkloristische en historische essays, toneelstukken, waarvan sommige onder het pseudoniem van Jan Klaes, en vertalingen.

Werken

met Dietscherdal (= pseudoniem van P.J.H. Brouwers), Rozen en Doornen, gedichten, 1862; 
De Vlaamsche Volkszanger, 2 dln., 1863-1864; 
De Herschepping der Limburgsche Kempen: Dichttaferelen, 1864; 
Cours de langue flamande à l'usage des Wallons, 1874; 
Gedichten, 1885; 
De Onkruidkunde van H. Meert gewikt en gewogen: Voorlezing, 1900; 
Bijvoegsel aan de 'Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon', gedeeltelijk volgens onuitgegeven aantekeningen van J.F. Tuerlinckx, 1904.

Literatuur

J. Boucherij, 'Een man van karakter: Desideer Claes', in De Vlaamsche Kunstbode, jg. 31 (1911); 
N. Theelen, 'Onze mannen van betekenis: Diederik Claes (1836-1910)', in Jaarboek van het Davidsfonds (1911), p. 321-339 (met volledige bibliografie); 
J. Muyldermans, 'Désiré Claes herdacht', in Jaarboek van de KVATL, jg. 29 (1919-1920), p. 205-244; 
T. Janssen, Désiré Claes (1836-1910). Tentoonstellingscatalogus, 1986; 
M. Hanson, 'Desideer Claes, pionier van het moedertaalonderwijs en van het Vlaams cultureel leven te Hasselt (1870-1880)', in Limburg, jg. 65 (1986), p. 265-269; 
T. Janssen (e.a.), 'Désiré Claes', in WT, jg. 45 (1986), p. 129-175; 
J. Brouwers, 'Claes, Désiré', in NBW, XII, 1987; 
M. Hanson, Van Frans naar Nederlands. De taalsituatie in het Limburgs middelbaar onderwijs 1830-1914 (Maaslandse Monografieën, nr. 49, 1990).

Auteur(s)

René Haeseryn; Martin Kellens