Cantré, Jozef

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 18:27 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 26 december 1890 – Gent 25 augustus 1957).

Was zoals zijn oudere broer, de houtsnijder Jan-Frans (1866-1931), leerling aan de Gentse Academie van Schone Kunsten, waar hij les kreeg van Jean Delvin. Cantré stond onder invloed van het sociale realisme van Constantin Meunier maar ook van het symbolisme van George Minne. In 1914 werd hij lid van de Gentse Belgische Werkliedenpartij (BWP).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog engageerde Cantré zich in de Gentse Socialistische Jonge Wacht en in de Vredesgroep der Socialistische Partij, waarvan hij een tijdlang voorzitter was. Samen met andere Jonge Wachten schreef hij zich begin november 1916 als vrije student in aan de door de Duitse bezetter vernederlandste Gentse universiteit. Hij ontwierp in opdracht van de Hoogeschoolbond een "Gedenkpenning ter herinnering aan de vervlaamsching der Gentsche Hoogeschool". In maart 1918 aanvaardde hij een tijdelijke betrekking als tekenmeester aan diezelfde 'Vlaamsche Hoogeschool'.

Aan het eind van de oorlog verhuisde Cantré naar Nederland. In maart 1919 werd hij uit de Gentse BWP gestoten, samen met onder anderen Edgar Alleman en Johan Lefèvre. In het proces van de Vlaamsche Hoogeschool werd hij in juli 1920 door het assisenhof van Oost-Vlaanderen tot vijf jaar cel veroordeeld. In 1930 keerde hij terug naar Gent en kwam in contact met de intellectuelen van het socialistische Geestesleven, zoals Paul-Gustave van Hecke en Frits van den Berghe. Cantré kreeg nu opdrachten van de Belgische staat, zoals het memoriaal Peter Benoit in Harelbeke (1934). In datzelfde jaar ontwierp hij het grafmonument voor René de Clercq op het kerkhof van Lage Vuurse (Nederland). Bij de onthulling was hij verontwaardigd over het optreden van Nederlandse fascisten die de Romeinse groet brachten. Cantré repliceerde met de gebalde antifascistische vuist. In 1938 gaven August Balthazar en Emile Langui hem de opdracht om het monument voor Edward Anseele te kappen. Het standbeeld, in Schots Balmoral-graniet, werd in 1948 onthuld. In 1941 werd Cantré lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Via Anseele (jr.) kreeg hij talrijke openbare opdrachten (een reliëf in het Centraal Station in Brussel, 1953; het reliëf en de fries van het EGW-gebouw aan het Gentse Zuidplein, 1954). Verder illustreerde hij een aantal publicaties van de socialistische uitgeverij De Vlam. Bij zijn dood werd de 'socialistische kunstenaar' uitgebreid gememoreerd in de socialistische pers. Zijn socialistisch-activistische 'jeugdzonde' werd daarbij vergeten.

Literatuur

A. de Ridder, Jozef Cantré, 1954; 
id., 'In memoriam Jozef Cantré', in Jaarboek van de KVAWLSKB (1957), p. 202-207; 
'In Memoriam Jozef Cantré', in Volksgazet (29 augustus 1957); 
'Jozef Cantré overleden te Gent: bekende beeldhouwer en houtsnijder op 66-jarige leeftijd aan een hartaandoening overleden', in Vooruit (30 augustus 1957); 
'In Memoriam Jozef Cantré', in Voor Allen (1 september 1957); 
'In Memoriam Jozef Cantré', in Vooruit (4 september 1957); 
'Jozef Cantré', in Vooruit (5 september 1957); 
'Bij de dood van Jozef Cantré: een groot beeldhouwer ging heen', in Vooruit (7 september 1957); 
A. de Ridder, 'In memoriam Jozef Cantré', in De Vlaamse Gids (januari 1958), p. 12-18; 
H. Puvrez, 'Cantré (Jozef), sculpteur et graveur', in BN, XXXV, 1970; 
L. Magits, Socialistische getuigenissen, 1986; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
G. Vanschoenbeek, De wortels van de sociaal-democratie in Vlaanderen, RUG, doctoraatsverhandeling, 1992; 
Y. Puissant, Genese en schipbreuk van de Vredesgroep der socialistische partij 1908-1919, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1993.

Auteur(s)

Guy Vanschoenbeek