Belgische Revolutie

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 18:02 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

naam voor de opstand van de Zuidelijke Nederlanden in 1830 die leidde tot de oprichting van de onafhankelijke staat België.

Op 25 augustus 1830 (verjaardag van koning Willem I) liep de opvoering te Brussel van de opera La Muette de Portici van Auber, een romantische verheerlijking van vrijheid en vaderlandsliefde, uit op enkele rellen, gericht tegen vooraanstaande regeringsgezinden. Dit gaf de volgende dag aanleiding tot een proletarisch oproer, dat van Brussel naar andere steden oversloeg. De Brusselse magistraat durfde de schutterij niet oproepen en liet een burgerwacht oprichten. Deze slaagde erin op 28 augustus de orde te herstellen. Ook elders werden de sociale woelingen spoedig bedwongen. Persoon en goederen van de burgerij waren opnieuw veilig.

Toch bleef de burgerij bevreesd voor verdere onlusten, niet denkbeeldig in de heersende economische crisis. Ze maakte daarom van haar haast toevallig verworven machtspositie als ordehandhaver (burgerwachten) gebruik om te pogen van Willem I politieke hervormingen af te dwingen. Ook Luik zond daartoe een afvaardiging naar Den Haag. De koning wachtte echter het verslag af van zijn oudste zoon, de Prins van Oranje, die op 30 augustus te Vilvoorde was aangekomen met een troepenafdeling, bestemd voor Brussel. Aangespoord door Franse en Fransgezinde revolutionairen wierp het volk barricaden op. De Prins vermeed elke confrontatie met de opstandelingen en nam contact op met de notabelen. Deze, onder druk van de oproerigheid en uit angst voor een hereniging met Frankrijk, bepleitten de administratieve splitsing van het rijk met behoud van de dynastieke eenheid. Het verzoek om een staatkundige vorm te geven aan de Noord/Zuid-tegenstelling, die in feite sinds de oprichting van het Verenigd Koninkrijk bestaan had, vond dadelijk instemming in het Zuiden.

Willem I riep tegen 13 september de Staten-Generaal samen om advies in te winnen over de gevraagde structuurhervorming van de staat. Inmiddels steeg de spanning te Brussel, mede door de aankomst van enkele honderden Luikenaars en van Fransen en Belgen uit Parijs. Op 11 september droeg de magistraat het gezag over aan een in de schoot van de burgerwacht gevormd Comité de S-reté publique. Niet lang vermocht deze veiligheidscommissie de oproerigheid te beheersen. Op 15 september verenigden de weinige, maar invloedrijke extremistische revolutionairen, die de vernietiging van het Verenigd Koninkrijk beoogden, zich in de Réunion centrale, later de Club Saint Georges genoemd. Deze slaagde erin op 20 september met de hulp van het volk de leiding over de stad te bemachtigen.

Na advies van de Staten-Generaal besloot Willem I op 17 september tot de administratieve scheiding van Noord en Zuid, evenwel na het herstel van orde en gezag. Zijn tweede zoon, Prins Frederik, rukte met een leger van twaalfduizend man naar Brussel op. De berichten hierover verwekten diepe verslagenheid bij de opstandelingen: nagenoeg alle leiders en een gedeelte van de Luikenaars verlieten de stad. De revolutie scheen mislukt.

Op 23 september trokken de troepen van Prins Frederik Brussel binnen en maakten van het Park een defensieve stelling. Hier werden ze het doelwit van de opstandelingen, waarvan de leiders ijlings terugkeerden en versterking kregen van een paar duizend vrijwilligers, meestal uit het Waalse land. Op 24 september werd een Commission administrative opgericht, die op 26 september de naam Gouvernement provisoire aannam. Na vier dagen strijd ontruimden de koninklijke troepen de hoofdstad. Hun aftocht luidde de algemene opstand van de Zuidelijke Nederlanden in.

Een Voorlopig Bewind riep op 4 oktober de zelfstandigheid van België uit en benoemde twee dagen later een commissie om een grondwetsontwerp op te stellen. Op 3 november werd door 30.000 (van de 46.099 stemgerechtigde) census- en bekwaamheidskiezers een Nationaal Congres gekozen. Unaniem proclameerde het de onafhankelijkheid van België en besliste bij meerderheid van stemmen tot de invoering van de erfelijke monarchie en tot uitsluiting van het Huis van Oranje-Nassau van de troon (respectievelijk 18, 22 en 24 november 1830).

De Belgische Revolutie schiep een internationaal probleem. De Europese verhoudingen, zoals deze door de grote mogendheden op het Congres van Wenen (1814-1815) waren vastgelegd, werden immers verbroken. Van 4 november af vergaderden de vijf grote mogendheden, Oostenrijk, Pruisen, Rusland, Engeland en Frankrijk, in Londen om over de toekomst van de Nederlanden te beslissen (Conferentie van Londen, 1830-1833 en 1838-1839). Zij erkenden de onafhankelijkheid van België (20 december 1830), waarborgden de neutraliteit en onschendbaarheid ervan en gaven het de grenzen van 1790 (20 januari 1831). Het Nationaal Congres verwierp deze territoriale regeling, omdat het Zeeuws-Vlaanderen, geheel de provincie Limburg en het groothertogdom Luxemburg voor België opeiste.

Enkele dagen later, op 7 februari, kondigde het Nationaal Congres de grondwet af, een koning was nog niet gevonden. Zowel uit overtuiging als uit vermeende noodzaak had de meerderheid van het Congres op 3 februari de tweede zoon van de Franse koning, de zestienjarige hertog van Nemours, tot vorst gekozen. De mogendheden spraken echter hun veto uit en de Franse koning wees de keuze af. Hierop wees het Nationaal Congres zijn voorzitter E.L. Surlet de Chokier als regent aan (24 februari 1831). Een suggestie van Engeland bracht uiteindelijk de oplossing. Op 4 juni koos het Nationaal Congres Leopold van Saksen-Coburg-Gotha, weduwnaar van de Engelse kroonprinses, tot koning der Belgen. Onder de impliciete druk van Leopold bereikten de mogendheden en België een vaag akkoord over de grensregeling, dat België interpreteerde als de inwilliging van zijn aanspraken op Limburg en Luxemburg (Traktaat der XVIII Artikelen, 26 juni 1831). Leopold deed op 21 juli zijn intrede te Brussel en legde de grondwettelijke eed af.

Op 2 augustus overschreed het Nederlandse leger de grens, versloeg vrij gemakkelijk de Belgische troepen, maar de mogendheden dwongen het tot de terugtocht. Deze Tiendaagse Veldtocht (2-12 augustus 1831) kon de afscheiding niet ongedaan maken, maar toonde duidelijk de zwakte van België aan. De mogendheden herzagen het Traktaat der XVIII Artikelen: aan Nederland werden Maastricht en Limburg op de rechteroever van de Maas toegewezen, Willem I ontving voor zich persoonlijk het oostelijke gedeelte van Luxemburg (Traktaat der XXIV Artikelen, 14 oktober 1831). België bleef echter in het feitelijk bezit van deze gebieden, omdat Willem I het verdrag verwierp.

Op 14 maart 1838 liet Willem I de Conferentie van Londen weten dat hij de XXIV Artikelen toch aanvaardde. Ernstig verdeeld stemde het Belgisch parlement in met de afstand van de betwiste gebieden. Op 19 april 1839 ondertekenden België en Nederland de definitieve verdragen en bezegelden hiermee de Belgische Revolutie.

Willem I streefde naar gelijkgerechtigdheid van Noord en Zuid. Niettemin had het Zuiden reële grieven van miskenning en benadeling: de proclamatie van de grondwet in 1815 ondanks de verwerping van het Zuiden, de onevenredige vertegenwoordiging in de Staten-Generaal, de lokalisering van alle centrale instellingen in het Noorden, het overwicht van de Nederlanders in openbare ambten, de hervorming van de wetgeving op Nederlandse leest, de heffing van belastingen volgens Nederlandse belangen. De vervreemding tussen Noord en Zuid nam bovendien nog toe door het negatieve effect van de godsdienst-, taal- en schoolpolitiek van Willem I en door de misnoegdheid over zijn autocratische wijze van regeren: ten onrechte, maar begrijpelijk werd het Noorden met Willem I geïdentificeerd. Van 1828 af eiste het Zuiden eensgezind en krachtig het herstel van zijn grieven, de invoering van een parlementair regime en ten slotte de federalisering van de staat. Hieraan gaf het in 1830 zelf vorm door een geïmproviseerde revolutie, nadat Willem I slechts gedeeltelijk en te laat aan de Belgische oppositie tegemoet was gekomen.

De Belgische Revolutie was een anti-Nederlandse opstand die, begunstigd door verscheidene omstandigheden en onder impuls van enkele leiders met een Belgisch-nationaal bewustzijn, leidde tot het ontstaan van de onafhankelijke staat België. De historische lotsverbondenheid van de Zuidelijke Nederlanden, fel versterkt door de mislukte samensmeltingspolitiek van Willem I, kreeg in en door de Revolutie van 1830 een positieve Belgisch-nationale inhoud.

Toen na de moeilijke beginjaren een 'Belgische' generatie flaminganten, voor een belangrijk deel gedreven door het vaderlands enthousiasme van 1830, de Vlaamse gedachte versterkte en de regering de Vlaamse literaire opleving als tegenwicht tegen de Franse invloed steunde brak de V.B. door. De Vlaamsgezinden stonden allen – ook de vroegere Vlaamse orangisten – loyaal tegenover de Belgische staat. Velen beschouwden zich zelfs als de enige ware Belgen die door verrijking van de Vlaamse cultuur bewust bijdroegen tot de consolidatie van België.

Naarmate de V.B. van een literaire naar een politieke beweging evolueerde, botste ze op het nationalisme, zoals dit door het officiële België werd beleden. Op de grondvesten van 1830 ontwikkelde zich immers een Belgisch nationalisme dat de identiteit één staat – één volk huldigde, wat ook eenheid van taal impliceerde. De Belgische taalpolitiek heeft er weliswaar niet naar gestreefd het Nederlands als volkstaal te verdringen, maar wel als officiële taal uit te sluiten. Met deze Belgische politiek kwam de V.B. in conflict, toen ze, strijdend voor de emancipatie van het Vlaamse volk, de wettelijke tweetaligheid en daarna de eentaligheid van Vlaanderen eiste.

Literatuur

R. Dollot, Les origines de la neutralité de la Belgique et le système de la Barrière (1609-1830), 1902; 
Ch. Terlinden, La Révolution de 1830 racontée par les affiches, 1903; 
H.T. Colenbrander, De Belgische Omwenteling, 1905; 
P. Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging, I, 1906; 
P.-J. Blok, 'De Prins van Oranje te Antwerpen in October 1830', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1909), p. 593-617; 
Fr. van Kalken, Histoire du Royaume des Pays-Bas et de la Révolution belge de 1830, 1910; 
A. de Ridder, Histoire diplomatique du traité de 1839 (19 avril 1839), 1920; 
L. de Lichtervelde, Le Congrès National de 1830. Etudes et portraits, 1922; 
H. Pirenne, Histoire de la Belgique, VI-VII, 1926-1932; 
E. Banning, Les origines et les phases de la neutralité belge, 1927; 
R.E. Dinger Hattink, De Brusselsche Opstand van Augustus 1830, 1930; 
P. Harsin, Liège et la Révolution de 1830, 1930; 
F. Prims, Antwerpen in 1830, 2 dln., 1930; 
R. Steinmetz, Englands Anteil an der Trennung der Niederlande. 1830. Ein Beitrag zur Entstehungsgeschichte des Belgischen Staates, 1930; 
R. van Roosbroeck, 'Enkele kantteekeningen bij de Geschiedschrijving der Belgische Omwenteling van 1830', in Dietsche Warande en Belfort (1931), p. 81-105; 
A. Calmés, Le Grand-Duché de Luxembourg dans la Révolution belge (1830-1839), I-II, 1932-1939; 
H.J. Elias, Onze Wording tot Natie. Inleiding tot de geschiedenis der Vlaamsche Beweging, 1932; 
A. Goslinga, De Belgische opstand van 'Dietsche' zijde verklaard, 1932; 
M. Lamberty, Philosophie der Vlaamsche Beweging en der overige stroomingen in België, 1933; 
R. Demoulin, Les Journées de Septembre 1830 ... Bruxelles et en Province, 1934; 
H.T. Colenbrander, De afscheiding van België, 1936; 
P. Geyl, Kernproblemen van onze geschiedenis, 1937; 
L. Picard, Geschiedenis van de Vlaamsche en Groot-Nederlandsche Beweging, I, 1937; 
F. Prims, De Wording van het Nationaal Bewustzijn in onze Gewesten, 1938; 
L. Leconte, Les Ephémères de la Révolution de 1830, 1945; 
J. Willequet, 1830. Naissance de l'Etat belge, 1945; 
P. Geyl, Eenheid en Tweeheid in de Nederlanden, 1946; 
F. de Lannoy, Histoire Diplomatique de l'Indépendance Belge (1830-1839), 1948; 
F. Perelman-Liwer, La Belgique et la Révolution polonaise de 1830, 1948; 
L.-L. Guillaume, 'Aux origines du mouvement wallon. Sentiment liégeois et sentiment français en 1830 et 1831', in La Vie Wallonne (1949), p. 17-34; 
A. Simon, L'Eglise catholique et les débuts de la Belgique indépendante, 1949; 
C. Smit, 1830. Scheuring in de Nederlanden, I, 1950; 
J. Stengers, 'Sentiment national, sentiment orangiste et sentiment français ... l'aube de notre indépendance', in BTFG (1950), p. 995-1029 en (1951), p. 61-92; 
R.F. Lissens, De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden, 19674; 
L. Wils, De ontwikkeling van de gedachteninhoud der Vlaamse beweging tot 1914, 1955; 
E.M.Th. Nuyens, De staatkundige geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839, 1956; 
J.A. Betley, Belgium and Poland in international relations 1830-1831, 1960; 
R. Demoulin, 'L'influence française sur la naissance de l'Etat belge', in Revue historique (1960), p. 13-28; 
J.A. van Houtte, 'La notion de nationalité en Belgique au XIXième siècle', in Rassegna Storica Italiana (1960), p. 45-70; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, I-II, 1963; 
K. Jürgensen, Lamennais und die Gestaltung des Belgischen Staates. Der liberale Katholizismus in der Verfassungsbewegung des 19. Jahrhunderts, 1963; 
W. van den Steene, De Belgische Grondwetscommissie (oktober-november 1830). Tekst van haar Notulen en ontstaan van de Belgische Grondwet, 1963; 


T. Luykx, Politieke geschiedenis van België van 1798 tot heden, 1964;

E. de Block, Ondergang en herstel of het begin van de 'Vlaamse Beweging', 1970; 
A.J. Vermeersch, Vereniging en Revolutie. De Nederlanden 1814-1830, 1970; 
C. Steverlynck, De Belgische Revolutie in de Belgische historiografie uit de jaren 1830-1839, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1977; 
J. Gérard, L. Vernal en H. Luyckx, 1830. De Belgische Revolutie, 1980; 
De gescheiden wegen. Handelingen van het colloquium over de scheiding der Nederlanden, gehouden te Brussel 22-23 november 1985, 1988; 
L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen, 1992.

Auteur(s)

Mark d'Hoker; Luc François